Einde van de kermis

 

 

Door Anna Horsthuis

 

 

 

 

 

In 1908 kwam er een einde aan de Rotterdamse kermis. Dat wil zeggen dat de gemeenteraad in dat jaar besloot geen pleinen en straten in de stad meer beschikbaar te stellen. Tegenstanders van de kermis, waaronder het “Anti-Kermis-Comité,” kregen daarmee hun zin. Dit Comité, dat vooral uit geestelijken bestond, maar ook uit “volksopvoeders” zoals schoolhoofden, had  in 1907 een “adres” (brief) aan de Gemeenteraad  gericht, waarin het stelde:  “De Kermis is eene verouderde middeleeuwse instelling die in onzen vooruitstrevenden tijd met zijn snel en gemakkelijk verkeer en meerdere beschaving alle bestaansrecht verloren heeft.” Vooral de straatkermis, en met name de Dolle Zaterdag, wanneer de losbandigheid zijn hoogtepunt bereikte, moest het ontgelden. In een brochure gaf het comité voorbeelden van “onzedelijke tooneelen” die zij op de kermis aantroffen, zoals het geval van “twee meisjes in costuum van marinematroos, vergezeld van twee jongemannen in vrouwenkleeding,” wier gedrag “in hooge mate schandelijk” was. Of de vele “café-chantants” waar vrouwen “het er op aan schenen te leggen, zoveel mogelijk ontkleed voor den dag te komen” en “de meest wulpsche liederen” te zingen. En daar was het “vuil en gemeen” kermisstuk, genaamd “Heel Rotterdam naar den Harem,” dat in Tivoli speelde en volgens het comité “in woorden en gebaren zedenkwetsend en immoreel” was.  Op zaterdagavond, na sluitingstijd van de kermis, stuitten vertegenwoordigers van het Anti-Kermis-Comité in de Nieuwe Plantage, achter het Crooswijksche  Kerkhof, langs de Rotte, in de Zwaanshals en op de Bergweg op honderden paren waarvan minstens 12 in overtreding waren van artikel 239 van het Wetboek van Strafrecht (schending van de eerbaarheid op openbare locaties). De “schaamteloze lieden” bleven bij benadering gewoon voortgaan met “aan hun lusten bot te vieren,” vermeldde de schrijver van de brochure verontwaardigd. Hoewel deze bezwaren tegen de kermis ons enigszins overdreven en zelfs lachwekkend in de oren klinken, zijn de zorgen die het Comité uitte over geldverspilling,  alcoholmisbruik - zelfs onder vijftien- en zestienjarigen - en de geweldsuitbarstingen die het kermisvieren met zich meebrachten, begrijpelijker. Een groot deel van de Nederlandse bevolking leefde in die jaren welbeschouwd in diepe armoede en onder zwaar verpauperde omstandigheden. 

Dronken paar op een kermis, 1917. Vervaardiger: Otto Verhagen. Collectie Rijksmuseum.

Belediging van God                                                                                                                                               Maar waarom leidden die bezwaren in Rotterdam pas in 1908 tot opheffing? Tegenstanders had de kermis per slot van rekening bijna vanaf haar ontstaan. Dit “losbandige, onbeheersbare feest,” waarbij het volk zich tijdelijk vrij en ongebonden voelde, zich meester waande in plaats van ondergeschikte en prins in plaats van pauper, veroorzaakte van oudsher argwaan bij de autoriteiten. Die vrolijke uitgelatenheid was onvoorspelbaar, meenden zij, en zou op den duur kunnen omslaan in razernij of zelfs revolutie. Tegelijk beseften machthebbers dat het volk eens per jaar een verzetje nodig had, als beloning voor het uitzichtloze, dagelijkse zwoegen. 

 

Feller werd het verzet tegen de kermis tijdens de Reformatie. Het feest had immers paapse wortels, hoewel het zich steeds meer van zijn kerkelijke oorsprong verwijderd had. De katholieke feestkalender was al danig uitgedund en het liefst hadden de volgelingen van Luther en Calvijn ook de kermis geschrapt. Reformatorische geestelijken hielden niet van feesten of vrolijkheid.  Het volk moest werken en bidden; lanterfanten en plezier maken zagen zij als tijdsverspilling en belediging van God. Maar zo’n sober, gedisciplineerd en vreugdeloos bestaan was voor de meeste mensen niet vol te houden. De wens van het volk om zich ten minste eens per jaar te kunnen ontspannen en stoom te kunnen afblazen was niet te stuiten, en dus bleef de kermis bestaan. 

 

 

Volksopvoeders                                                                                                                                                      In de achttiende eeuw vond de kerk een medestander in de Verlichting. Deze stroming was evenmin een groot voorstander van de kermis. Verlichte denkers, bij wie de rede en de vooruitgang hoog in het vaandel stonden, beschouwden het feest als een dwaas, irrationeel en middeleeuws volksvermaak. In de achttiende eeuw ging bovendien de burgerij een steeds prominentere plaats innemen. Onder invloed van Verlichtingsdenkbeelden en van de Amerikaanse en later de Franse revolutie streefde de middenklasse naar een meer democratische samenleving waarin zij konden meebesturen. Tot dan toe was de macht immers voornamelijk in handen van patriciaat en adel. Dit streven culmineerde in de Bataafse Revolutie (1795), waarmee zij veel van haar doelen wist te  bereiken. 

 

De burgers gebruikten die toegenomen macht en invloed onder andere om hun waardenstelsel - waarin ijver, deugdzaamheid, spaarzaamheid, discipline, huiselijkheid en vaderlandslievendheid hoog op de agenda stonden - over te brengen op  de rest van de bevolking en met name op de gewone man. Die was in de ogen van de gezeten burgerij vaak redeloos, losbandig, dronken, onbeschaamd en grillig.  Om die volksman en -vrouw nu te beschaven en op te voeden richtten zij in 1784 een vereniging op: de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. Zij handelden hierbij niet puur uit idealisme maar streefden eveneens naar het scheppen van een meegaande en coöperatieve arbeidende bevolking. Die was nodig omdat de nieuw opkomende industrie discipline en regelmaat van het werkvolk vereiste. Logisch dus dat zo’n “nutteloos, ouderwets en ongetemd volksfeest” als de kermis een doorn in het oog werd van de nieuwe vereniging.  

Voorgevel van het gebouw van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen aan de Oppert, 1898-1908. Collectie Stadsarchief Rotterdam.

Revoluties                                                                                                                                                           Niettemin slaagden noch de volksopvoeders, noch de kerkenraden er in om de kermis in de eerste helft van de negentiende eeuw een strobreed in de weg te leggen. Stedelijke bestuurders beseften dat het volk te gehecht was aan het feest en er voor hen nauwelijks alternatieve mogelijkheden tot vermaak bestonden. Bovendien functioneerde de kermis in die tijd nog steeds als een echte markt. Er waren buitenlandse en afgewerkte producten te koop die je in de stad doorgaans niet kon vinden. Die functie verdween evenwel geleidelijk en rond het midden van de negentiende eeuw waren de meeste spullen gewoon in de stadswinkels aan te schaffen. Toen was “vermaak” nog slechts de enige functie van het feest en nam de kracht van het verzet tegen de kermis in heel het land toe.

 

In 1847 vroeg de gouverneur van de provincie Zuid-Holland aan de gemeentebesturen om de kermis in dat jaar te schorsen. Na de mislukte aardappeloogst in 1845 en de hoge voedselprijzen die daarop volgden, leek het hem verstandig dat de arme bevolking haar geld niet aan de kermis zou verspillen. Rotterdam gaf geen gehoor aan dat verzoek, maar in 1848, een jaar later, steunde de gemeenteraad een voorstel van Burgemeester en Wethouders tot afschaffing van de kermis. Daarop werd het stadsbestuur juist weer door de landelijke regering teruggefloten, omdat die besefte dat het niet het juiste moment was om het morrende volk zijn geliefde feest af te nemen: overal in Europa waren in dat jaar revoluties uitgebroken.

 

 

Cholera                                                                                                                                                               In de decennia die volgden ontving de Rotterdamse gemeenteraad vele “adressen,” waarin gepleit werd voor de afschaffing van de “zedenbedervende en onbeschaafde” kermis. De brieven waren afkomstig van allerlei genootschappen waaronder de Rotterdamsche afdeeling van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen, de Algemeenen Kerkeraad, de Nederduitsche Hervormde Gemeente, de Nederlandsche vereeniging tot afschaffing van sterke drank en de Nederlandsche Maatschappij ter Bevordering der Geneeskunde. Aanleiding voor deze brieven waren vaak incidenten zoals vechtpartijen of ongelukken als gevolg van drankmisbruik. In 1867 vormde een nieuwe cholera-uitbraak de aanleiding tot een storm van boze adressen. Hoewel verschillende gemeenten de kermis dat jaar vanwege de ziekte schorsten, liet de Rotterdamse gemeenteraad het feest gewoon doorgaan. Burgemeester en Wethouders kwamen slechts met wat adviezen aan de Rotterdamse bevolking, bijvoorbeeld om “zich vooral te wachten voor het gebruik van schadelijke dranken en spijzen, inzonderheid van onrijpe vruchten” en om “al datgene te doen, wat reinheid, orde, matigheid en gezondheid kan bevorderen. ” Hoewel er in feite nauwelijks een verband bestond tussen de kermis en sterfte aan cholera, waren anti-kermis partijen zeer verbolgen, zoals bleek uit een ingezonden brief in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 25 augustus: “Nu de epidemie in vollen gang is, worden er voorzorgsmaatregelen genomen, maar in deze is het weder den put dempen, als het kalf verdronken is. (…) Is het nu geen geschikte tijd, om de kermissen voorgoed af te schaffen? Wat zij zijn in tijden van epidemiën, leert Rotterdam. Op niet ééne plaats stichten zij nut, op de meesten véél kwaad. Wij spreken nog niet eenmaal over het financieel nadeel, dat zij aan de geringere klassen veroorzaakt; wij spreken meer over het morele kwaad.[…] Wie kent niet den Zaturdagnacht […] met zijne stuitende en walgelijke tooneelen? […]  Wij wenschen, dat in elke stad verlichte mannen zich vereenigen zullen, om aan dergelijke tooneelen een einde te maken.”

Spotprent tegen de kermis toen de cholera begon te heersen, 1853. Vervaardiger: Joseph Vürtheim. Collectie Stadsarchief Rotterdam.

Opvoedende vermaken                                                                                                                                     Moralisten en volksverheffers gunden de gewone man en vrouw heus een verzetje; ze verzonnen alternatieve publieke vermakelijkheden die niet alleen ontspannend moesten zijn, maar ook leerzaam, gezond, positief en constructief. Gedacht werd aan muziekuitvoeringen voor het volk of volksvoorlezingen, optochten, goedkope entrées in schouwburgen en bezoeken aan musea en tentoonstellingen. Die bezigheden zouden – anders dan de “onzedelijke kermis” -  tot “vermeerdering van kennis en veredeling van smaak,” leiden, aldus de Nieuwe Rotterdamsche Courant in 1867. Ook in lichamelijke oefening zoals gymnastiek of doelschieten zag men goede alternatieven voor “woest dronkenmans-gehos en gebrul” op de kermis. Deze veredelende vermaken zouden bijvoorbeeld plaats kunnen vinden op nationale feesten zoals de verjaardag van de koning. Of het volk warm zou lopen voor deze brave en enigszins saaie vermaken kwam niet ter sprake. De discussie werd boven de hoofden van de arbeidende bevolking gevoerd.

 

Maar wel met succes. Vanaf ongeveer 1860 begon de stemming om te slaan, het anti-kermis offensief voerde steeds vaker de boventoon en meer en meer grote en kleine gemeenten maakten een eind aan het feest. Amsterdam schafte de kermis af in 1871, Arnhem in 1877, Den Haag in 1887. Maassluis en Schiedam namen in 1904 afscheid van het feest en Vlaardingen in 1906. Rotterdam bleef daarentegen tot 1908 kermis vieren. Al die tijd bezaten de liberalen de meerderheid in de gemeenteraad en zij bleven van mening dat men het volk zijn pleziertje niet moest afnemen. Liberalen hadden nochtans ook economische en commerciële belangen bij behoud van het feest. Zo verdiende de middenstand goed aan de kermis. Bovendien meende de commerciële bovenlaag in de raad dat arbeiders harder zouden werken als men hun de kermis als worst bleef voorhouden. En nog steeds zagen liberale stemgerechtigden het feest als uitlaatklep, ter voorkoming van stakingen en volksoproeren. Dat was niet zo’n gekke gedachte, aangezien kermisopheffingen vaak tot onrust leidden. In Almelo barstten rellen uit onder de arbeidersstand toen de kermis daar vanwege de cholera werd geschorst. In Amsterdam brak in september 1876, het jaar dat er voor het eerst geen kermis meer was, een volksopstand uit. In de jaren ervoor was het in 1871 afgeschafte feest geleidelijk afgebouwd, terwijl er van de alternatieve opvoedende vermaken nog bar weinig terecht was gekomen. Teleurgestelde Amsterdammers richtten een spoor van vernieling aan in de stad en het kostte schutterij en cavalerie bijna een week  om het kermisoproer te beëindigen. 

Zes voorstellingen van Amsterdam tijdens het Kermisoproer, 1876. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Kwalijk gezwel                                                                                                                                                 Hoewel de Rotterdamse kermis in de negentiende eeuw standhield, vond er niettemin in 1868 een ingrijpende wijziging plaats: het feest werd verwijderd uit de stadsdriehoek. Voortaan moesten kermisexploitanten hun tenten en spellen opzetten buiten het centrum, op het terrein van de veemarkt, gelegen benoorden de Lange Warande. Reden voor die beslissing was, dat de commerciële bovenlaag steeds meer nadelen ondervond van de door de kermis veroorzaakte stremming in het handelsverkeer. De opkomende cholera-epidemie zal het besluit hebben versneld. Maar lang niet iedereen was blij met die verplaatsing. Middenstanders in het centrum vreesden voor hun omzet tijdens de kermis en keurige Rotterdammers waren verbolgen omdat zij zich op het veemarktterrein tussen het gewone volk en de “onfatsoenlijke” kermisvermaken zouden moeten begeven om de “beschaafde” tenten te bereiken. Ook waren zij bang dat redelijke lieden na de voorstelling zouden blijven hangen en alsnog beschonken zouden raken.  Daarbij vreesde men dat, als het burgerlijk publiek de kermis ging mijden – wat inderdaad gebeurde – het feest verder zou ontaarden en verwilderen, omdat het volk zich volgens hen beter zou gedragen te midden van voldoende burgerlijk publiek. Al met al maakte de verbanning en isolatie van de kermis het gemakkelijker om haar te zien als kwalijk gezwel, dat maar beter weggesneden kon worden.

 

   

Om hals gebracht                                                                                                                                            Ondertussen nam de politieke invloed van de aan het einde van de negentiende eeuw opgerichte christelijke partijen gestaag toe. Deze partijen stonden uiteraard geheel achter de anti-kermis argumenten. De uitbreiding van het mannenkiesrecht in 1896 had tot gevolg dat die confessionelen daadwerkelijk  in de gemeenteraad kwamen en zetels overnamen van de commercieel- liberale elite. Tegelijk zaagde, tegenstrijdig genoeg, de opkomende arbeidersbeweging aan de poten van de kermis. Hoewel de beweging opkwam voor de werkende stand, achtte ze dit feest niet in het belang van de arbeidende bevolking. Arbeiders dienden zich te emanciperen en de strijd aan te gaan ter verbetering van hun lot. Daarbij hoorde een nuchtere, ernstige levenshouding en geen “liederlijk drinken en hossen.” De veel eerder ontwikkelde Amsterdamse arbeidersbeweging was dan ook mede verantwoordelijk voor de vroege afschaffing van de kermis in die stad.  In 1908 viel er ten lange leste ook in Rotterdam het besluit: met 23 stemmen tegen 17 maakte de raad een einde aan het eeuwenoud en geliefd volksfeest. Hein Mol schreef hierover in zijn ‘Memoires van een Havenarbeider’: “Ik ben van meening, dat men door de afschaffing van de kermis een der meest karakteristieke volksvermaken heeft om hals gebracht, dat men het volk iets heeft ontnomen, waarvoor het niets heeft terug gekregen.”

Spotprent naar aanleiding van de ongeregeldheden op de Haagse kermis, 1871. Vervaardiger: Johan Michaël Schmidt Crans. Collectie Rijksmuseum.

Paddenstoelen                                                                                                                                                  Toch accepteerden Rotterdammers het besluit vrij gelaten. Een kermisoproer zoals in Amsterdam bleef uit. Misschien omdat er kort na de afschaffing op wisselende plekken in de stad toestemming kwam voor een “lunapark,” met een beperkt aantal kermisattracties. Ook verschenen zo nu en dan losse kermisattracties in de stad, zoals stoomcarrousels en zweefmolens. Poffertjes- en wafelkramen waren er nog elke augustusmaand. Circussen hadden al een flinke tijd vergunningen om buiten kermistijd de stad te bezoeken. Velen meenden echter dat dit alles niets van doen had met de sfeer van de vroegere kermis.                                                                                                                             

Wellicht was inmiddels de behoefte aan kermisvieren gewoonweg minder aan het worden. In 1908 al kon de Rotterdammer zich het hele jaar door behoorlijk vermaken in zijn stad.  Voor variété- en filmvoorstellingen behoefde hij niet meer op de kermis te wachten. In de jaren vóór en na de Eerste Wereldoorlog zouden de gelegenheden tot vertier alleen maar toenemen: in de binnenstad sprongen de dancings, cafés en bioscopen als paddenstoelen uit de grond. Meer educatieve vermaken, zoals dierentuinen en musea verloren hun exclusiviteit en werden in de jaren van het Interbellum toegankelijk voor iedereen. 

 

 

Vrijheid                                                                                                                                                             Een ander aspect dat de gehechtheid aan de kermis misschien deed verminderen, was dat het steeds bereikbaarder werd voor veel mensen om uitstapjes te maken, de stad uit te gaan en erop uit te trekken. Dat lag in de eerste plaats aan de nieuwe en goedkopere transportmiddelen die zich aandienden, zoals de trein en de stoomboot. De trein was vier tot vijf keer sneller dan de postkoets of de trekschuit, zodat men in dezelfde tijd veel verder kon reizen. Rotterdammers waren rond 1900 dol op treinreisjes naar Hoek van Holland en Scheveningen en op boottochtjes naar bijvoorbeeld Dordrecht of Gorcum.               

Maar voor reizen was vrije tijd nodig, en daaraan ontbrak het de arbeidende bevolking rond 1870. De meeste mensen maakten zes lange dagen en gingen zondag naar de kerk. Hoogstens kreeg de Rotterdammer van zijn baas een dagje vrij op kermiszaterdag.  

Op 24 september 1867 verscheen er een ingezonden brief in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van een heer met een vooruitziende blik. Net zoals veel tijdgenoten verlangde deze J.A.C. Voorhoeve de afschaffing van de kermis. Maar hij had niets op met die goedbedoelde, georganiseerde volksvermakelijkheden: “Men kan den mensch nu eenmaal niet opleggen, zich met dit of dat te amuseren,” meende hij. Zijn alternatief was: vrijheid. “Vrijheid  is een hoofdbestanddeel van vermaak, “ veronderstelde hij. Dit hield in dat men het werkende volk twee of drie vrije dagen zou moeten geven in de zomermaanden, zonder korting van loon. Op deze manier konden de arbeidende klassen “een paar dagen met vrouw en kinderen of met vrienden, zich naar buiten begeven (…).” Zij zouden familiebezoeken kunnen afwisselen of verenigen met “het doen van uitstapjes: het Overmaassche land, het Westland, de Haag en Scheveningen (…).”                                                                                             

Dankzij de strijd van socialisten en vakbewegingen hoefden de meeste arbeiders vier decennia later, toen de kermis werd afgeschaft, al minder uren te werken. Ook begonnen sommige bedrijven ermee hun arbeiders enkele dagen vakantie te geven. Hoewel dit alles nog geen wettelijk recht was – dat zou later in de eeuw volgen. 

En daarmee verloor de negentiende-eeuwse kermis een belangrijke functie: in een tijd waarin de meeste mensen nauwelijks in de gelegenheid waren om hun stad te verlaten en zelf op reis te gaan, bracht het feest de buitenwereld naar de mensen. Aan het begin van de twintigste eeuw had men de kermis daar steeds minder voor nodig. Rotterdammers stonden op de drempel van een nieuw tijdperk, waarin ze hun vleugels konden uitslaan en de "wonderen der wereld" zelf konden gaan ontdekken.

Rotterdammers maakten vaker uitstapjes. Bijvoorbeeld naar Dordrecht. Dienstregeling van de watertochtjes aangeboden door rederij Fop Smit in 1909. Gezicht op Dordrecht. Collectie Stadsarchief Rotterdam.

 

Bronnen

 

 

Gebruikte boeken en artikelen:

 

C.A.S. “De Rotterdamse kermis: beroemd en berucht…!” in: Het Pierement, ’s-Gravenhage 1969.

 

Claes, Tinne en Deblon, Veronique. « Van panoramisch naar preventief. Populariserende anatomische musea in de Lage Landen (1850-1880),”in: De Negentiende Eeuw 39, 2015.

 

Frerichs, Lieneke. “Het panorama: kunst of kermis,” in: De Revisor, Jaargang 4, 1977.

 

Gras, Henk. ‘’De Rotterdamse kermis in de 19de eeuw: het einde van een feesttraditie,’ in: Historisch Tijdschrift Holland nr.4/5, 1997.

 

Hazewinkel, Mr. H.C. “Een Rotterdamsche Menagerie.” In: Rotterdams Jaarboekje, jaargang 07 1939.

 

Hix, Lisa Ancient Androids: Even Before Electricity, Robots Freaked People Out. https://www.collectorsweekly.com. 

 

Hoog, Sandra de. Een Questie van Appreciatie. Een comparatief historisch onderzoek naar de afschaffing van de Rotterdamse kermis, 1847-1908. Doctoraalscriptie Maatschappijgeschiedenis, Rotterdam 1986.

 

Jansen, G.H. Een Roes van Vrijheid. Kermis in Nederland. Amsterdam 1987.

 

Keikes, H.W. Kermis en circus in beeld tot 1940. Zaltbommel 2009.

 

Looy, Jac. Van. Jaapje. Amsterdam 1981.

 

Mol, Hein. Memoires van een Havenarbeider. Nijmegen 1980.

 

Powers, Richard. Social Dances of the Nineteenth Century.

 (http://socialdance.stanford.edu>Powers-Descriptions).

 

Ratsma, Piet e.a. Ach Lieve Tijd. Zeven eeuwen Rotterdam, de Rotterdammers en hun vertier. Zwolle 1987.

 

Rijn, G. van, “De Rotterdamsche Kermis.” In: Rotterdams Jaarboekje, jaargang 04, 1894.

 

Rombout, Tom (red.). Het Fenomeen Panorama. De Wereld Rond! Den Haag 2006.

 

Vanhoutte, Kurt en Wynants, Nele. Magie en wetenschap in de spektakelcultuur van de negentiende eeuw: Henri Robin in de Lage Landen. In: Tijdschrift voor Mediageschiedenis 20 [2] 2017.

 

Vroom, H.J. Kerkmis en Kermis. Driebergen 1984.

 

Woud, Auke van der. De Nieuwe Mens. De culturele revolutie in Nederland rond 1900, Amsterdam 2015. 

 

Verdere bronnen o.a.: 

 

Delpher: kranten en tijdschriften.

 

Stadsarchief Rotterdam: “Afschaffing van de Rotterdamsche Kermis, Adres aan den Gemeenteraad van Rotterdam – met bijbehorende Memorie van Toelichting. Uitgaande van het Anti-Kermis-Comité, oktober 1907.

 

Google: Beschrijving van het Ontleedkundig Museum van Dr. Kahn, ’s Gravenhage, 1850.

 

Youtube: documentaire “Mechanical Marvels, Clockwork Dreams.”

 

Information icon

We hebben je toestemming nodig om de vertalingen te laden

Om de inhoud van de website te vertalen gebruiken we een externe dienstverlener, die mogelijk gegevens over je activiteiten verzamelt. Lees het privacybeleid van de dienst en accepteer dit, om de vertalingen te bekijken.