Sensatie
Door Anna Horsthuis
Hoewel een rondje in de draaimolen of een bezoek aan een voorstelling vermakelijk waren, zocht het kermispubliek niet alleen amusement maar had het ook behoefte aan sensatie: vreemde en wonderbare ervaringen vormden een prettige onderbreking in de monotonie van het dagelijkse, van beelden verstoken bestaan. Dat verklaart ook de populariteit van de verschillende goochelvoorstellingen die tijdens de kermis werden gehouden. Bekende goochelaars waren rond het midden van de negentiende eeuw onder anderen de Nederlander David Leendert Bamberg, Bartolomeo Bosco uit Italië, de Franse illusionist Henri Robin en Louis Courtois, een goochelaar uit België. Bamberg en Courtois leerden het beroep van hun vader en ook hun eigen kinderen (Courtois had er achttien!) namen het vak over. Ook echtgenotes waren betrokken bij de voorstellingen.
Goochelaars en Prestidigitateurs
Handbehendigheden
Goochelaars kondigden zichzelf aan met gewichtige en wetenschappelijk klinkende namen, bijvoorbeeld “prestidigitateur,” hetgeen “iemand die vingervlug is” betekent. Bosco was misschien wel de beroemdste prestidigitateur van zijn tijd en deed het in het schouwburg-lokaal verzamelde Rotterdamse publiek in juli 1850 (buiten kermistijd) versteld staan met zijn “handbehendigheden.” Specialiteit van de Italiaan was de bekertruc, waarbij hij op verbluffende wijze balletjes van onder bekers liet verschijnen en verdwijnen. Ook vroeg hij de dames en heren uit het gezelschap om zakdoeken en horloges, die hij verscheurde en stuksloeg, om ze later geheel in orde tevoorschijn te halen. De Rotterdamsche Courant schreef over Bosco: “Men zeide, dat hij eene eijerenkoopvrouw te Amsterdam tot het besluit had gebragt geen enkel ei meer te verkoopen, daar hij uit ieder ei dat hij van haar kocht een goudstuk haalde.”
Goochelaar op straat, (de helft van een) stereofoto 1852-1863. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Hof-mechanicus
Andere namen waarmee goochelaars zich graag tooiden waren “physiker,” “physicien,” “professeur de physique” of ‘’mechanicus.” Blijkbaar wilden goochelaars graag een graantje meepikken van de enorme opmars die de natuurwetenschappen in de negentiende eeuw maakten. De mens begon onder invloed daarvan zijn geloof in tovenarij, zwarte kunst, de duivel en bovennatuurlijke gebeurtenissen te verliezen en dus moesten deze artiesten op een andere manier het ontzag van hun publiek vasthouden. Tegelijk waren veel goochelaars inderdaad niet alleen vingervlug, maar ook wetenschappelijk en technisch onderlegd. Ter verhoging van het zinsbedrog vonden ze vernuftige technische attributen uit voor tijdens hun shows. Ook maakten goochelaars gebruik van nieuwe uitvindingen zoals elektriciteit en optische illusies en demonstreerden zij allerlei natuur-, sterren- en scheikundige principes om hun publiek versteld te doen staan. De Franse goochelaar Robert Houdin bijvoorbeeld (niet te verwarren met de naar hem genoemde Harry Houdini), was opgeleid als uurwerkbouwer en gebruikte knappe, zelfgebouwde automatons (apparaten die de illusie geven dat ze op eigen kracht bewegen) in zijn voorstellingen.
Zijn rivaal Henri Robin, die vanaf 1862 een eigen theater in Parijs had, deed tijdens zijn voorstelling natuur- en scheikundige experimenten en wist door middel van een soort toverlantaarn een geest op toneel te doen verschijnen. Als het doek opging, zag men zijn schitterende salon vol fantastische objecten, vermeldde een Frans blad in 1863, zoals elektrische apparaten, machines die storm en onweer maken, magische lantaarns, mysterieuze koffers, draaiende tafels, automaten zoals een pronkende pauw en een trommel die uit zichzelf sloeg, schuddende kerstbomen en onuitputtelijke flessen.
Goochelaar David Leendert Bamberg voerde zelfs de titel “Hof-mechanicus” omdat hij de hof-artiest was van koning Willem III. Ook hij bedacht vele mechanische hulpmiddelen tijdens zijn optredens, net als de Duitse goochelaar professor Basch, die zich, volgens de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 1868, bediende van “vindingrijke mechanische toestellen.“ Het publiek, aangetrokken door het sensationele van deze spectaculaire voorstellingen, was bij het verlaten van de optredens tevens wijzer geworden omtrent de laatste wetenschappelijke ontwikkelingen.
Henri Robin en een geest. Publiciteitsfoto. Vervaardiger: Eugène Thiébault, 1863.


M. Robin tijdens een demonstratie van "Vermakelijke Fysica," uit L'Univers Illustré, 1863. Wikimedia Commons.
Fenix der Goochelaren
In de jaren vijftig en zestig van de negentiende eeuw bood de Rotterdamse kermis een rijke variatie aan beroemde goochelacts. Zo was er in 1850 de Belgische Louis Courtois, “Fenix der Goochelaren,” en zijn grote familie, die - in een “prachtig gedecoreerde” en “schoon verlichte” Loge op de Nieuwe Markt - vertoningen gaven in “Engelsche, Italiaansche en Egypische Exercitiën; alsmede Natuurkundige en Wonderbare behendigheden.”
Op de Grote Markt stond de “fraaije schouwburgtent” van monsieur en madame Henri Robin. De Rotterdamsche Courant was zeer te spreken over hun “Soirée Parisienne,” en was verrukt van het “innemend voorkomen van den heer Robin en zijn hoogstbeschaafde manieren.” Met name het “dubbel gezichtsvermogen” van madame Robin verbaasde het publiek. Hierbij benoemde zij, geblinddoekt, allerlei voorwerpen die haar man aan de toeschouwers toonde. Ook haar verdwijning maakte grote indruk, zodat men om een herhaling van de scene vroeg, “waarop een der aanweezige heeren onder den koker geplaatst werd, en op een schot door den heer Robin gelost, onmiddellijk verdween.” Ter afsluiting van hun voorstelling had het echtpaar Robin nog wat optische illusies voor het publiek in petto in de vorm van een beweegbaar panorama en een caleidoscopisch kunstvuurwerk.
Kalosphinthechromokrème
Nog verder gespecialiseerd in dit soort fantastisch gezichtsbedrog waren de goochelaars Maju en professor Basch met zijn Cagliostro-theater. Maju bracht “Wondervolle, geheel nieuwe, nog nimmer geziene Optische Illusiën,” naar Rotterdam. In 1865 toonde hij het publiek “hoe men zijn eigen geest kan zien“ en in 1867 kwam hij met “een Geijser Bron uit IJsland, nagebootst wanneer het Noorderlicht een duizendtal van kleurspelingen door terugkaatsingen van Sneeuw, IJs en Water teweeg brengt” en – alsof dat niet genoeg was- “benevens in deze kleurspelingen een fantaisie van Shakespeare uit Macbeth.” Een verslaggever van de Nieuwe Rotterdamsche Courant was verrast over het effect dat Maju met behulp van licht en spiegels teweeg wist te brengen.
De Duitse professor Basch stond in 1868 met zijn Cagliostro-theater opgesteld op de Jonker Fransstraat. Hij bracht op zijn “Groote Schitterende Soirée” de nieuwste verrichtingen in de “hooge Magie, Physica & Optica.” Climax in de voorstelling van deze “prestidigitateur van den eersten rang,” zoals de Nieuwe Rotterdamsche Courant hem noemde, was zijn kollosale wonderfontein genaamd de “Kalosphinthechromokrème,” ook wel Prachtkleurenvonkenbron, of “Kristalgrot der Najaden”(waternimfen). De fontein werkte “met eene electrische batterij van 100 ellementen en Hydro-Oxische Gas Verlichting met draaiende beelden en Tableaux Vivants.” Dit spektakel van uit een afgrond rijzende waternimfen en bewegende beelden was in ieder geval zó sensationeel, dat de schrijver J.L. Tadema er in zijn in 1937 geschreven (Haarlemse) jeugdherinneringen aan memoreerde. Ook herinnerde hij zich hoe professor Basch ten slotte zijn publiek deed griezelen door geesten te laten verschijnen in zijn pantomine genaamd “Graaf Azaglio of een middernacht in het klooster van Castro.”
Kleinzoon
Een jaarlijks terugkerende, geliefde verschijning op de Rotterdamse kermis was de genoemde David Leendert Bamberg (1787-1869) die tot op hoge leeftijd optrad. In 1865 stond “den grijzen 79-jarigen Hof-Mechanicus” met zijn tent op het Boymansplein. Een van de acts waarmee de “nestor onzer kermis-reizigers” grote indruk maakte, was “het weggoochelen van zijn zevenjarig Kleinzoontje Maurits Bamberg, onder eene dames-reticule [handtas],” aldus de Nieuwe Rotterdamsche Courant in 1865. Maar daarmee was Bamberg nog niet klaar met zijn kleinzoon: “ook zal hij het kind…op een geheel onbedekte stoel plaatsen, hetzelfde met een houten sabel het hoofdje afhouwen en op zijn schootje neerleggen; de kleine Maurits zal zelve zijn hoofdhaar friceren [krullen], waarna hij zijn hoofdje aan zijn Grootvader ter hand stelt, die het weder op den romp zetten zal...” Als dát niet aan de sensatiezucht van het publiek beantwoordde… .
Tijdens deze voorstellingen werd het goochelen regelmatig afgewisseld met muziek of met optredens van clowns en “gymnastikers” (acrobaten). Louis Courtois liet zijn kinderen musiceren, jongleren en optreden als acrobaat, zodat het publiek zich vermaakte tijdens de wisseling van decor en materiaal. Sommige goochelaars waren dubbeltalenten, zoals “Le Petit Blond,” die in 1856 als prestidigitateur én als “gymnastique” optrad.

Goochelaar met kaart, deel van een kinderprent 1828-1853. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Tweede zicht van Madame Robin, circa 1850. Wikimedia Commons.


Goochelaar geeft een voorstelling. Deel van kinderprent met kermisvermakelijkheden, circa 1875. Vervaardiger D. Noothoven van Goor. Collectie Stadsarchief Amsterdam.
Voorstelling van goochelaar Maju. Wikimedia Commons.

Prestidigitateur Louis Courtois, 1784-1859. Vervaardiger: Grandsart-Courtois.
Afwijkende mensen Een andere categorie kermisattracties die tegemoet kwamen aan de zucht naar sensatie van het publiek, waren opvallende of afwijkende mensen. Tegen betaling kon het publiek naar hele kleine mensjes, gaan kijken, of juist naar “reuzen.” Uitzonderlijk dikke dames of heren vormden een attractie, net als mensen uit verre en vreemde landen. Dit “aapjes kijken” was een oude traditie op de kermis. Nog in de achttiende eeuw mocht het publiek tijdens kermistijd de spin- en dolhuizen bezoeken om daar gevangenen en “gekken” te bezichtigen. Natuurlijke menselijke nieuwsgierigheid zal bijgedragen hebben aan de populariteit van dit – in onze ogen – wat beschamende vermaak. Maar ook het gebrek aan beeldmateriaal in die dagen droeg eraan bij, vooral vergeleken met de stortvloed aan beelden die de moderne mens over zich heen krijgt. Tot in de negentiende eeuw kwam de gewone man zelden in aanraking met (een illustratie uit) een boek of tijdschrift. En kranten, die voornamelijk door de hogere standen werden gelezen, gebruikten niet of nauwelijks afbeeldingen. Dus was het een buitenkansje om op de kermis allerlei wonderlijke zaken die men van horen zeggen had, met eigen ogen te kunnen aanschouwen. Hogere standen hadden minder op met deze vorm van vermaak, dat hen deed denken aan het armoedige volk dat over de kermis zwierf en probeerde zijn gebreken of dat van zijn kinderen te gelde te maken. Toch zal ook bij hen de nieuwsgierigheid soms de overhand hebben gekregen.
Aanplakbiljet ter bezichtiging van het wonderkind Janna Drabbe op de kermis van 1819. Collectie Stadsarchief Rotterdam.

Reuzen en miniatuur-mensen
In 1859 wekte de “ontzaggelijke Reus Murphy” de belangstelling van het Rotterdamse kermispubliek. Bijna tien jaar later, in 1868 trok “Anak, de Grootste Reus der Wereld” de aandacht. Deze “Koning der Reuzen,“ geboren in Frankrijk, was “Groot 2 Nederlandsche ellen, 45 duim” (2 meter 45 volgens het Nederlands metriek stelsel uit 1820) en woog 400 pond. In 1865 was op de hoek van de Varkenssteeg een loge (tent) opgesteld van de “17-jarige Colosse Jonge Jufvrouw Victorine.” Een “jeugdige volmaakte schoonheid,” aldus de advertentie in de Nieuwe Rotterdamsche Courant. De uit de kluiten gewassen Victorine werd vergezeld door haar eveneens kolossale moeder, die de kaartjes in ontvangst nam, en vader, die optrad als directeur.
Niet groter dan kinderen van vier waren de “twee miniatuur-menschen,” prins en prinses Ching-Fou-Goung, die in 1860 te zien waren in een “Elegante Schitterend Gedecoreerde Chineesche Kiosk op de Vlasmarkt.” De prins mat 75 Nederlandse duim (de duim werd in 1816 gelijkgesteld aan één centimeter) terwijl de prinses slechts 56 duim lang was en dus “zeer gevoeglijk zou kunnen geborgen worden in een Dames-Mof,” aldus de aankondiging in de krant. Wellicht om dit soort attracties wat respectabeler te maken, werd in veel advertenties benadrukt dat de artiesten voor verschillende Europese hoven optraden. Het Chinese koppel was zelfs door de “Vorstelijke Familie te ’s Hage” ontvangen. Bij aanvang van de voorstelling arriveerden de slechts 17 en 15 jaar oude prins en prinses in een miniatuur-hofrijtuig. Gestoken in “nationaal kostuum” maakten ze, “zoowel door hun bevallig uiterlijk als door den levendigen, opgeruimden toon, waarop zij, zoo goed mogelijk, zich in her Fransch met de aanwezigen onderhouden, een verrassenden indruk,” aldus de Nieuwe Rotterdamsche Courant.
Ter versterking van het effect, traden kleine mensjes vaak op in gezelschap van “reuzen” of dikke mensen. Op de Rotterdamse kermis van 1856 werd “de Man zonder Slaap,” 5 voet groot en “niet meer wegende dan 32 Pont” begeleid door zijn zuster, “de Schoonste Vrouw welke men zien kan.” Zij woog 283 Pond en diende, net als haar broer als model aan de Academie van Parijs, aldus een aankondiging in de krant. Op de kermis van 1867 kon het publiek zich op de Groote Markt verbazen over het contrast tussen Elizabeth Murphy, “een Vrouwelijke Goliath” van 7 voet, en de Chinese prinses Zingzing, “eene Vrouwelijke David,” van slechts 2 voet en negen duim.
Janna Drabbe, 10 jaar oud, gewicht 300 pond, te zien gedurende de Rotterdamse kermis in 1819. Collectie Stadsarchief Rotterdam.
De prins en de prinses Ching-Fou-Goung stappen uit hun koets, 1830-1900. Collectie Stadsarchief Rotterdam.


Admiraal Tom Pouce
De bekendste miniatuur-man rond het midden van de negentiende eeuw was Admiraal Tom Pouce ofwel Jan Hannema, een apothekerszoon uit Franeker. Door een groeistoring werd de jongen niet langer dan zo’n 70 centimeter, zodat kinderen uit de buurt hem de bijnaam: “Us lytse tomke” (Fries voor: ons klein duimpje) gaven. Op zesjarige leeftijd begon Jan, begeleid door familie, met optreden op kermissen. Zijn artiestennaam leende hij van een Amerikaanse mini-man die in Europa optrad als “General Tom Thumb” of, in Frankrijk, als “Tom Pouce.” De kleine Hannema was niet alleen op zichzelf een attractie, hij was tevens een echte artiest. Tijdens zijn optredens zong en danste hij en voerde indrukwekkende rollenspellen op. Bovendien was hij charmant en sprak hij vijf talen, “zodat een welopgevoed en aanzienlijk publiek zich zal amuseren,” aldus de krantenadvertenties. Die benadrukten dat Admiraal Tom Pouce “zeer net van lighaam” was. Sterker nog: “Hij is zoo lief dat alle Dames hem als sieraad op haar toilettafel stellen kunnen.”
Jan Hannema reisde, vaak vergezeld van zijn vader, half Europa door om optredens te verzorgen en hij genoot groot aanzien bij “Keizers en Koningen.” Aldus trad hij op voor de koning Willem II en echtgenote te ’s-Gravenhage, die hem als dank een jaargeld aanboden. Koningin Victoria en prins Albert van Engeland waren zó van “the Friesland Dwarf” gecharmeerd, dat ze hem een miniatuur ameublement cadeau deden. In 1865 kon het Rotterdams publiek de inmiddels 26-jarige Admiraal bewonderen in zijn “sierlijke Loge op de Groote Markt bij de Naauwe Marktsteeg.” Zoals gewoonlijk arriveerde hij op de kermis in een fraai miniatuur-rijtuigje met een klein paardje ervoor. Na afloop van de voorstelling waren er voor de toeschouwers portretten van de kleine artiest verkrijgbaar.

Portret van Jan Hannema alias Tom Pouce, 1852. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Friese dwerg Jan Hannema alias admiraal Tom Pouce. Reclamefolder uit 1869.
Nepperij
Bedrog en misleiding kwamen vaak voor op de kermis, vooral waar het afwijkende mensen betrof. Het is het niet erg waarschijnlijk dat echte Chinese prinsessen en prinsen de voorkeur gaven aan een tochtige kermistent boven het comfort van de Verboden Stad! Of wat te denken van “Mejufvrouw Margaretha, oud 17 jaren, geboren in het Zuiden van Frankrijk, […] van hare geboorte van het hoofd tot de voeten met de schoonste kleuren bewassen”? De jongedame in kwestie was in 1867 op de Rotterdamse kermis te bewonderen en volgens de Nieuwe Rotterdamsche Courant was “Haar schoon blank ligchaam […] met de schoonste Rozen, Tulpen, Fioletten, Vergeetmijnietjes en meer andere bloemen bij honderden bezaaid.” De gewone man en vrouw, met hun beperkte horizon, kon men misschien op de mouw spelden dat deze Margaretha zo fleurig geboren was, maar de meer geschoolde krantenlezer moet beseft hebben dat hier sprake was van nepperij. Wellicht ging hij vooral kijken vanwege de sensatie en de waarschijnlijk schaarse kledij van de gebloemde Française.
Dat het publiek zich wel bewust was van bedrog blijkt uit een “Kermis-berigt” in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 1855. Een zekere heer Allart kondigde hierin aan dat er hoegenaamd geen sprake was van bedrog bij de door hem tentoongestelde “Julokaffers uit Zuid-Afrika.” De twee Afrikanen (leden van de Bantoevolken in het oosten van Zuid-Afrika) waren, aldus het bericht, “overgebragt door den grooten Reiziger den Heer Caldikot;” en “hebben het genoegen gehad tweemaal ten toon te staan voor H.M. Koningin Victoria.” Rotterdammers konden de twee exotische Afrikanen bekijken (25 cents eerste rang en 10 cents tweede rang) in een tent op de Vest, “naast den Vetten Os.” Een ander paar Afrikanen die in 1868 de Nederlandse kermissen bezocht, viel hopeloos door de mand. De Courant berichtte het volgende over dit voorval: één der “Roodhuiden, afkomstig van het eiland Banga op de Zuidkust van Afrika”(creativiteit moest je de bedriegers wel nageven) werd wegens dronkenschap door zijn baas uit de tent en tegen een stoep geworpen. Omstanders zagen tot hun verbazing dat hij door bloedverlies als gevolg van zijn wonden van kleur begon te veranderen. Bovendien had de roodhuid, die kort tevoren een voor ieder onverstaanbare taal sprak, “in den tijd van een paar uren Hollandsch geleerd!”
Een jaar eerder had dezelfde krant eveneens verslag gedaan over een ander geval van misleiding op de kermis: een kleermaker uit een naburige gemeente was op zoek naar zijn weerspannige dochter, toen hij op de Rotterdamse kermis belandde. De dochter, “eene fiksche 18-jarige boerendeern,” had zes weken eerder heimelijk het ouderlijk huis verlaten. Uit nieuwsgierigheid ging de kleermaker de tent binnen “eener dikke dame, […] onder de naam Saranetta van Londen, het wonder der wereld […].” “Verbeeld u het gezicht van den plattelands-schneider,”schreef de krant; “toen hij in het wonder der wereld zijn eigen dochter herkende!”
De Siamese kinderen op de kermis vertoond. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Eerder gepubliceerd in "Ons Rotterdam"
