Eten, drinken en feesten
Door Anna Horsthuis
Poffertjes en broedertjes De kermis was het feest van de zintuigen. Bijna niemand die over de Rotterdamse kermis schreef, verzuimde om de geur ervan te benoemen. Die was afkomstig van snoep- en koekkramen en vooral van kramen waar zoetigheden als “wafelen,” beignets en poffertjes (ook broedertjes genoemd) werden bereid. De lucht van die laatste lekkernijen was zo bedwelmend, dat arme Rotterdamse stadskinderen aan het einde van de negentiende eeuw een traditie hadden ontwikkeld die “poffertjes ruiken” heette. Ze verzamelden zich om de poffertjes-bakplaat, die aan de buitenkant van de kraam stond opgesteld. “Voor de pan verdringen de jongeluitjes zich;” schreef een verslaggever van het Rotterdamsch Nieuwsblad in 1894, “om te kijken en om te ruiken, ze twisten en vechten daar om ’t mooiste plaatsje […].” Vooral het keren van de poffertjes was het hoogtepunt van het bakproces: ”Dan zien ze een der knechts […] met een enorme vlugheid de kleine, aan den eenen kant reeds bruine koeken keeren…de afwaaiende damp wordt nu pas heel lekker, ze steken den neus in de hoogte en ademen met krachtige, diepe halen.” Eigenaren van de kramen probeerden de nieuwsgierige aagjes tevergeefs te verjagen, met “scheldwoorden en bedreigingen,” maar het had geen zin, want ze “keeren […] onmiddellijk met niet verminderde nieuwsgierigheid terug.” Als er onverhoopt een poffertje viel, dook de hele troep er bovenop en gold het recht van de sterkste. Toch zag de reporter in dit egoïsme soms een kiem van naastenliefde: “want niet zelden gebeurt het, dat meisjes woedend meevechten om den afgevallen poffer, alleen om dien, na de behaalde overwinning, te steken in den mond van een broertje of zusje.”
Gordijntjes Poffertjes- en wafelbakkerijen waren fraai gedecoreerd, met romantische draperieën, koperen lampen, geslepen spiegels en zuilen. Buiten bevond zich menigmaal een met luifel overdekt terras, afgesloten met een hekje. Eveneens buiten, aan de voorzijde stond de versierde bakplaat en wafeloven, met schoorsteen. Binnen bevonden zich vaak een aantal afgescheiden ruimtes, voorzien van te sluiten gordijntjes, waar bijvoorbeeld stelletjes zich konden terugtrekken. Zo ook de “welingerigte Kraam” van P. van Brink, die in 1846 en 1847 op de dijk vóór het Gemeenlandshuis stond, en die voorzien was van “vier ruime Kamers, ter ontvangst van fatsoenlijke gezelschappen.” Zijn poffertjes waren “van best Utrechts meel, Delftsche Boter en veel Suiker.” Een buffet voor overige “ververschingen” bevond zich, samen met een plek voor een aantal muzikanten, achterin de kraam. Uitbaters lieten zich voorstaan op een “prompte en zindelijke bediening,“ vaak zelfs “met tafelzilver,” zoals in de kraam van Koolsbergen op het Van Hogendorpsplein. De prijs voor twee dozijn poffertjes was in de negentiende eeuw over het algemeen 15 cent. Poffertjes- en wafelkramen boden bovendien een bezorgservice aan, zodat deftige lieden die geen zin hadden om zich tussen het volk te begeven toch van de lekkernij konden genieten. In dat geval werden er dienstmeisjes op uit gestuurd. Het Rotterdamsch Nieuwsblad schreef in augustus 1894 over de kraam van Koolsbergen, die dat jaar voor de vijftigste keer present was op de kermis: “Den heelen dag is het daar een druk geloop, vooral dienstboden komen er veel “mit de complementen van mevrouw en of meneer Koolsbergen vanmiddag vijf porties thuis wil laten brengen.” Negentiende-eeuwse poffertjeskramen zijn zo goed als verdwenen. Een uitzondering vormt de fraaie kraam van Cornelis de Haan, die uit 1875 stamt en ’s zomers op de Brink in het Noordhollandse Laren staat.

Illustratie van een poffertjeskraam, onderdeel van een gezelschapspel, 1816-1897. Vervaardiger: Aron Hijman Binger. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Interieur van de bijna honderdjarige poffertjeskraam van Cornelis Breekvelt, 1957. Collectie Stadsarchief Rotterdam.

Poffertjeskraam De Haan in Laren. Auteur: Ferro F. Wikimedia Commons.
Zuurkramen
Wie genoeg had van al dat zoet, kon zich begeven naar een zuurkraam om bijvoorbeeld een zure haring of een stukje leverworst in het zuur te kopen. Ook verkochten deze stalletjes onder andere uitjes in azijn, pekelaugurken, ingemaakte krootjes [bietjes], zure komkommer of ingelegde eieren. In een tijd zonder koelkasten was het in het zuur leggen van voedsel een manier om de houdbaarheid te verlengen. De kraampjes vormden een uitkomst voor de hongerige, niet al te veeleisende kermisklant met een bescheiden budget. “Na poffertjes, biertjes en jenevertjes smaakt een zuurtje, na hossen, schreeuwen en zingen smaakt een stukje lever of een paling […],” schreef een verslaggever van het Rotterdamsch Nieuwsblad over de kermis van 1894.
Opengesperde mond P.J. Ris stond tijdens de kermis van 1867 met zijn zuurkraam op de Vest. Volgens de annonce in de Nieuwe Rotterdamsche Courant was “zijne ruime en sierlijke kraam […] uitmuntend […] ingerigt om groote Gezelschappen fatsoenlijk te kunnen ontvangen.” Het zuurkraampje waar het Rotterdamsch Nieuwsblad tijdens de kermis van 1894 over schreef, was daarentegen zeer sober: “ ’t Is heel eenvoudig samengesteld: een lange kruiwagen staat onder een soort afdakje aan beide zijden door zeildoek gesloten, op den kruiwagen staan tobbetjes met groote stukken komkommer in de pekel, wijde flesschen met uitjes en stukjes “kroten,” schalen met gerookte paling en schalen met stukken lever, achter den kruiwagen zitten een man en een vrouw en een kind.” De man hield de regie over zijn zaakje en schreeuwde iedereen een ruw ,,afblijven potdome” toe die het waagde zelf de hand uit te steken naar de volle schotels.” De klant die bijvoorbeeld lever wilde, diende beleefd “twee centen lever assieblieft” te vragen, waarop de koopman zelf een stuk uitzocht, dat in het zout doopte en vervolgens in de opengesperde mond van de klant duwde. “die neemt dan het vrachtje over, eet een deel van zijn stuk op en duwt dit, met de afgebeten zijde opnieuw in het zout,” schreef de krant met enig afgrijzen over zo’n gebrek aan zindelijkheid. Ook het gereedschap waarmee de klant stukken kroot of pekelaugurken van één cent mocht uitzoeken, lokte de ironie uit van de verslaggever: “dan neemt de koopman een ijzeren vork vol roest, veegt die af met een handdoek, waarvan de kleur aanleiding geeft tot den wensch, dat de koopman een beetje minder zindelijk mocht zijn op zijn vorken […].”

De zuurkraam op de Oppert, 1910. Collectie Stadsarchief Rotterdam.

Stereofoto van een zuurkraam. Collectie Stadsarchief Amsterdam.
Koffiehuizen De meer bemiddelde kermisgangers, zoals lezers van bovenstaande kranten, zouden het niet in hun hoofd halen om op straat te eten, midden tussen het publiek. Dat werd zeer onfatsoenlijk gevonden. Na een kermisbezoek begaf de middenklasse zich liever naar een van de vele café’s, restaurants en koffiehuizen die de stad rijk was. Zo ook de heer die in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 17 augustus 1856 een brief plaatste aan zijn vrienden. Daarin schreef hij zich met vrouw en dochters al vier avonden “overheerlijk te hebben geamuseerd” bij het “ordelijke, beschaafde en smaakvolle” Cirque Equestre van Wollschläger. Hij hoopte de vrienden na afloop van zijn volgende circusbezoek te treffen in “de overschoon gedecoreerde zaal van het Londonsch Koffijhuis op het Westnieuwland, alwaar wij (…), verzekerd zijn, van op ons gemak en in tegenwoordigheid van goed en fatsoenlijk Publiek, te zullen kunnen genieten van (…) de onvervalschte Wijnen en overheerlijke en zindelijk klaar gemaakte Soupées of Collations en eene goede en civiele bediening.”
Gezelschappen met dames In het Londonsch Koffijhuis, maar ook in het Fransch Koffijhuis bij de Beurs, het Beiers Bier- en Koffijhuis, het Koffijhuis de Cosmopolitaan aan de Zeevischmarkt, Koffijhuis Amicitia aan het Steiger, Koffijhuis Gezelligheid in de Torenstraat, Café Restaurant Romein bij de Delfschepoort en Restauration Suisse aan de Oppert en vele andere zaken, waren van ’s middags tot vaak diep in de nacht gedurende de kermis "dejeuners, diners, soupers" en verschillende “ververschingen” te verkrijgen. Vaak richtten de eigenaren voor dat doel een ruimte in als restaurant of brachten een extra zaal in gereedheid: “Zijne ruime en luchtige Biliardzaal is thans mede geheel tot Restauratie ingericht,” aldus de annonce van Restauration Suisse in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 1856. Restaurant Diligentia aan het Westnieuwland had in 1868 “gedurende de kermis een tweede eetzaal.” Soms benadrukte een waard, zoals die van het Groot Londonsch Koffijhuis in 1848, dat zijn lokaal - waar de rest van het jaar vooral mannen te vinden waren - tijdens de kermis ook geschikt zou zijn “tot het ontvangen van gezelschappen met Dames.” Om de zaal “tot ontvangst van Dames” in gereedheid te brengen, werd deze in het Beiers Bier en- en Koffijhuis “sierlijk à l’instar de Paris” gedecoreerd, meldde een advertentie in de Rotterdamsche Courant van 1863.
“Versche bouillon” Waar deed het “beschaafd publiek” zich aan tegoed? Opvallend is dat men bij alle restaurants tijdens de kermis “versche bouillon” kon nuttigen. Waarschijnlijk uit behoefte aan een pittige opkikker na een warme en vermoeiende “kermiswandeling.” Verder was er volgens de annonces vis te krijgen, zoals zalm of paling, en vooral veel vlees in de vorm van “Beefsteak, Coteletten en Carbonnade.” Hiermee onderscheidde de burgerman zich van het gewone volk, voor wie dergelijk vlees een zeldzame lekkernij was. Dit alles werd weggespoeld met voor de gewone man eveneens onbetaalbare “uitmuntende bieren, exquise wijnen en likeuren van de fijnste kwaliteit” waarmee de buffetten van restaurants en koffiehuizen “ruimschoots voorzien waren.” Ook limonades, ijs en punch “a la romaine” (een in de negentiende eeuw geliefd drankje bestaande uit halfbevroren fruitsap met rum, bedekt met opgeklopt eiwit en voorzien van een scheut champagne) stonden regelmatig op het menu. Die laatste “verfrisschingen” waren ook bij confituriers en banketbakkers verkrijgbaar, die op deze manier ook een graantje van de kermis konden meepikken.

Fransch Koffijhuis aan de overkant van de Kolk en de Kolkkade in de buurt van de Beurs, circa 1870. Vervaardiger: P. Oosterhuis. Collectie Stadsarchief Rotterdam.

Gewoonlijk werden koffiehuizen slechts bezocht door heren. Interieur Beiers Bier- en Koffiehuis "Stad München" in Amsterdam, 1861. Vervaardiger: Heinrich Dilcher. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Exterieur en interieur van het Zuid-Hollandse hotel en café-restaurant aan de Korte Hoogstraat nummer 27, 1894-1898. Collectie Stadsarchief Rotterdam.
Muziek en zang
(werk in uitvoering)
In stilte of in beschaafde conversatie de maaltijd nuttigen was er niet bij tijdens de kermis. Het was tenslotte feest en de gasten wilden muziek horen. In de negentiende eeuw betekende dat levende muziek, want opnames bestonden nog niet. En dus engageerden veel café- en koffiehuiseigenaren artiesten - soms enigszins tweederangs- die zij steevast aankondigden als beroemde buitenlandse zangers en muzikanten. Die moesten met hun optredens van vroeg in de middag tot laat in de avond het publiek binnenhalen en -houden. “zullende er de drie laatste dagen, van des middags 12 tot ’s namiddags 3 ure, als ook des avonds 10 ure gedurende den nacht, een Gezelschap aanwezig zijn, dat alles zal aanwenden om het geëerd Publiek door Muzijk en Zang te veraangenamen,” kondigde Koffijhuis Gezelligheid in augustus 1840 aan in de Nieuwe Rotterdamsche Courant. En het Beiers Bierhuis, had, aldus een advertentie in diezelfde krant in augustus 1855, toepasselijk de “beroemde Tyroler Zangers en Zangeressen der Familie Müller” ingehuurd terwijl in het Café Français et de la Bourse “soirées musicales” werden georganiseerd, verzorgd door de familie Maurice in samenwerking met de “ Eerste Zanger uit Berlijn” de heer Oscar Morgenstern.
Extra dame Wie de smaak te pakken had, kon ook naar een van de muzieksalons die voor de duur van de kermis waren opgesteld, zoals het Salon du Café Français, dat in 1865 op de Dam achter de Beurs was neergestreken of de Grand Salon de Concert de Théodore de Lyon, dat in 1868 de Jonker Fransstraat als standplaats had. Bij die laatste kon het publiek om half één ’s middags een “Matinée Musicale et Chantante” bijwonen of om half negen ’s avonds het “Groot Concert, Vocaal en Instrumentaal van den heer August de Boer van Brussel en het Languedoc’s Mannenkoor bestaande uit 52 Werkende leden.” Deze muzieksalons vroegen entreegeld: zo’n 25 cent voor een matinée en 50 cent per soirée. Het Salon du Café Français bood bovendien abonnementen aan: een heer betaalde vier gulden voor de duur van de kermis, zes gulden als hij een dame bij zich had en twee gulden verhoging voor elke extra dame (dames alléén waren niet welkom!). In ruil voor dat stevige bedrag kregen de feestgangers, aldus de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 18 augustus 1867, een zaal die “fraai gedécoreerd en goed verlicht” was en “van reusachtige afmetingen,” een in het midden geplaatst orkest, dat “regt braaf” speelde, en buffetten die van alle dranken waren voorzien, waarbij de bediening “met het oog op de soms heerschende drukte, niets te wenschen over liet.”
Bals
Natuurlijk wilde het publiek niet alleen naar muziek luisteren maar ook dansen. Daartoe waren voor de burgerij genoeg mogelijkheden; in allerlei etablissementen en lokalen werden tijdens de kermis bals georganiseerd. Hoewel het dans minnend publiek hiervoor in de binnenstad terecht kon, vonden de meeste bals plaats in het lommerrijke lanengebied ten westen van de oude stadsdriehoek. Uitspanningen in dat landelijke gebied beschikten waarschijnlijk over meer ruimte voor balzalen dan de stadslokalen. Ook waren deze zaken vaak voorzien van fraaie tuinen. Zo ook “Plaats Welgelegen” aan de Schiekade, waar op 9 augustus 1855 om 8 uur ’s avonds een “Groot Bal Champêtre” (dat wil zeggen: in de open lucht) aanving. Ook “Plaats Vrede Best”, aan een zijstraat van de Binnenweg, had een zaal waar op 12 augustus 1843 een bal zou plaatsvinden en beschikte daarnaast over een “briljant geïllumineerde plaats"(tuin), waar voor de gelegenheid een orkest stond opgesteld. Gedurende de kermis lieten uitbaters hun zalen en tuinen fraai decoreren met bloemen, lampions en fonteinen. Lokaal “De Hollandsche Tuin” aan de Binnenweg was tijdens de kermis van 1865 “fraai gedecoreerd à la Renaissance; alsmede met de prachtigste bloemen en guirlandes versierd,” terwijl de plaats “schitterend met Gaz à la Giorno [was] verlicht,” aldus een advertentie in de Nieuwe Rotterdamsche Courant. In die fraaie ambiance zou op 13 augustus een “Groot Bal Paré,” ofwel een bal waarbij men slechts speciaal gekostumeerd werd toegelaten, plaatsvinden. Bals begonnen vaak om acht uur à half negen ’s avonds, zodat ze een feestelijke afsluiting vormden van een kermisdag.
Balletmeester Danspartijen waren rond het midden van de negentiende eeuw strak gereguleerd. Zoals het orkest werd geleid door een dirigent, werd er voor het bal vaak een speciale dansmeester ingehuurd. Zo ook in “De Kleine Marechal” op het Zijl, waar “gedurende de Kermis” van 1843 een “Bal en Danspartij” werd georganiseerd, voorzien van een “goed bezet Orchest en gedirigeerd door eenen bekwamen Balletmeester.” Ook Koffijhuis de Mercurius in de Bagijnenstraat en Plaats Vredebest maakten in de kermisdagen van 1840 gebruik van de diensten van zo’n “bekwaam Balletmeester.” Niet dat deze persoon het publiek moest leren dansen, want dat behoorde in de hogere kringen tot de basisopvoeding. Veel dansen waren aan het begin van de negentiende eeuw evenwel nog gemeenschappelijk, dat wil zeggen dat alle dansers op de vloer deelnamen in een vooraf bepaald patroon, van bijvoorbeeld vierkanten of lijnen. Zo’n “sequentiële dans” was bijvoorbeeld de mazurka of de populaire quadrille, die in een grote variëteit aan snelle passen kon worden uitgevoerd. Niet verbazend dus, dat een dansmeester van nut kon zijn bij het kiezen van passen en formaties, en om de boel in goede banen te leiden. De wals, een van oorsprong Duitse boerendans die vanaf de jaren tien van de negentiende eeuw doordrong in balzalen, werd nogal schandelijk gevonden omdat paren geen armlengte afstand hielden maar dicht bij elkaar dansten en naar elkaar waren toegewend. De paren dansten bovendien onafhankelijk van elkaar. In de jaren 1840 werden de polka en de galop, speelse en vrolijke variaties op de wals, razend populair. Die dansen maakten in hun kielzog de sensuele wals acceptabeler.
In mei 1863 kondigde het Salon des Variétés aan de Lombardstraat in de Nieuwe Rotterdamsche Courant een “Groot Bal Parée” aan, afgewisseld met een “Groot Harmonie en Sinfonie Concert.” Het afgedrukte programma geeft misschien een beeld van de dansvoorkeur van de Rotterdamse burgerij in die dagen: afgewisseld met muziekstukken van bijvoorbeeld Auber, Weber, Verdi en Donizetti, was er een wals op muziek van Strauss, waarna het publiek de quadrille kon dansen van Carl Faust, gevolgd door een polka van Rettek (waarschijnlijk componist Franz Rezek). Na de pauze was het eerste dansnummer de Glocken Walzer van Strauss, waarna de dansers zich konden uitleven op de Concordia Quadrille van Carl Faust, om de avond af te sluiten met een vrolijke “Galopp” van Häusel.

Uitspanning Place des Pays-Bas aan de Kruiskade in 1872. Collectie Stadsarchief Rotterdam.
Extraordinaire Vauxhall Intussen was er nog één onderdeel dat niet aan de jaarlijkse kermisviering van welgestelde Rotterdamse burgerij kon ontbreken, en dat was een bezoek aan de “Vauxhall” die jaarlijks ter gelegenheid van de kermis in de deftige sociëteit Harmonie werd georganiseerd. Ook sociëteit Concordia aan de Kruiskade organiseerde tijdens de kermis een dergelijke Vauxhall, waar de iets minder deftige burgerij op af kwam. De naam Vauxhall was gebaseerd op de vermaarde Vauxhall Gardens aan de Thames in Londen, een grote openbare tuin die in de achttiende eeuw in een elegante plek van vermaak veranderde. Je kon er eten, van muziek en voorstellingen genieten en vuurwerken bekijken. De Rotterdamse sociëteit Harmonie bevond zich in het Doelecomplex, tussen de Coolsingel en het Haagseveer en bestond uit verschillende zalen en een tuin (de Plaats). Eigenlijk was de Harmonie een besloten herenclub, maar regelmatig werden er zowel in de grote zaal als in de tuin concerten voor echtgenotes en niet-leden georganiseerd. Ook de kermis-vauxhalls waren vrij toegankelijk, hoewel de pittige entreeprijs van één gulden en tien cent (kinderen half geld) het gezelschap “select” zal hebben gehouden. Tuin en zalen waren gedurende de kermis-matinées en soirées, die vaak op donderdag, vrijdag en zaterdag plaats hadden, feestelijk verlicht en prachtig versierd. In 1846 was er “een Groote Egyptische Tempel, schitterend verlicht à la Orientale en op eene prachtige wijze met Transparanten versierd,” aldus de annonce in de Rotterdamsche Courant. Zowel in de open lucht als in de grote zaal kon het kermispubliek muziek-en zanguitvoeringen beleven door gerenommeerde orkesten, terwijl tombola’s en vuurwerkshows de feestvreugde verhoogden.
Zeer aangename avond en nacht Het meest geliefd was tenslotte de “Extraordinaire Vauxhall,” die op de laatste kermiszaterdag in deze sociëteit werd georganiseerd. Tijdens die speciale avond en nacht was er niet alleen muziek te horen, maar was de Plaats geheel aangepast zodat het circus er kon optreden. In 1822 bijvoorbeeld, verrees er een ronde getimmerde cirkel die tenminste 2600 zitplaatsen bevatte. Vaak was er tegelijkertijd binnen in de Grote Zaal een gezelschap van acrobaten en “pantomimisten” aanwezig die eveneens een voorstelling verzorgden. Refererend aan de grote menigte die zich op deze laatste avond verdrong in de Doele, schreef een reporter van de Nieuwe Rotterdamsche Courant in 1850: “Nu de Kermis, die velen zoo wélkome gast, op haar vertrek staat, dan zijn er, die alles doen om haar te bewegen nog eenige dagen te blijven vertoeven; zij houden haar , als ’t ware, vast bij de slippen van haar veelkleurig kleed.” Het leek of het publiek nog één avond echt kermis wilde vieren voordat het feest weer een lang jaar verdween. Ook in 1855 was de Extra Vauxhall in de Doele een groot succes, aldus deze courant: “Op de open plaats was weder een circus opgerigt en onder het genot van het heerlijkste zomeravond-weder, had daarop een ontzaggelijk groot publiek plaats genomen. Ten 8 ure begon het gezelschap van den heer Ed. Wollschläger met […] het programma, dat niet minder dan 27 nummers groot was.” De enthousiaste toeschouwers juichten en joelden na elk nummer en de voorstelling duurde, afgewisseld door twee pauzes, uiteindelijk tot twee uur ’s nachts! Ondertussen werd in de “groote zaal” een “niet minder groot, niet minder keurig zamengesteld programma” uitgevoerd door het gymnastisch en pantomimisch gezelschap van H.H.Cottrely en Lehmann, en was ook hier “eene groote menschenmassa samengepakt.” Tijdens deze “zeer aangename avond en nacht” waren, aldus de Nieuwe Rotterdamsche Courant, ruim 5.000 mensen in de Doele verzameld.
Dolle Zaterdag Ook voor de gewone Rotterdammer vormde de laatste zaterdag het hoogtepunt van de kermisweek. Bijna niemand werkte die middag en avond en zelfs de haven lag stil. Op deze “dolle zaterdag” was de kermis tot twee uur ’s nachts geopend. Avondvullende kermisspellen waren nauwelijks meer in trek; de feestvierende menigte vertoefde die laatste avond en nacht liever op straat om er zijn laatste kermiscentjes te spenderen. Bijvoorbeeld aan een draai- of zweefmolen, maar nog meer in een van de vele cafés en kroegen, zoals die in de Zandstraatbuurt of op de Schiedamsedijk. Daar werd gedanst en gezongen en vloeiden de “alebessen met suiker” rijkelijk. Aalbessenjenever was de Rotterdamse kermisdrank bij uitstek. Naarmate de avond vorderde, werd de stemming vrolijker, het publiek uitgelatener en veranderden hele straten, zoals de Hoogstraat en de Korte Hoogstraat, de Schiedamsedijk en de Zandstraatbuurt, of de Veemarkt, het Oostvestplein en de Goudsesingel, in deinende, feestvierende massa’s. Het dansen, ofwel “hossen” (dansen en springen waarbij men elkaar arm aan arm vasthield en lange rijen vormde) “nam den vorm aan van een epidemie,” schreef Hein Mol in zijn memoires: “Men hoste door elkaar, dichte drommen drongen dwars door de menigte kermisgangers heen en brachten allerwege verwarring, door het uiteenjagen van gezelschappen en families (…).” Daarbij werd op papieren toeters geblazen en luidkeels gezongen. Dat laatste om boven de drenzende orgels, stampende stoommachines, schrille stoomfluiten en schreeuwende boniseurs uit te komen. Men zong van alles, bijvoorbeeld de “alebessenhos,” en telkens klonk natuurlijk het kermislied. Een journalist van het Rotterdamsch Nieuwsblad die op 27 augustus 1888 zijn belevenissen tijdens de Dolle Zaterdag beschreef, vroeg zich af of Rotterdammers tijdens die nacht leden aan collectieve waanzin: “[…] zou een Rotterdamsche kermisganger toerekenbaar zijn voor hetgeen hij doet in die week? Zou het geen soort manie, of misschien wel een zielsziekte wezen van de Rotterdammers, om den Zaterdagnamiddag, avond, nacht en Zondagmorgen tot 7 uur, zich aan te stellen als…ja als…precies als zijn vader en moeder, zijn grootouders en zijn geheele familie in hun tijd deden, in dezelfde of in gewijzigde vormen, maar altijd als een ijlende koortslijder, die zijn bewakers ontsnapt, in zenuwachtige opgewondenheid loopt, draaft, host, eet, drinkt, zingt, schreeuwt en verkwist, tot den zon aan den hemel komt […].”
Verhitte hoofden Sommige lieden hadden zulke grote hoeveelheden alcohol gedronken, dat ze nauwelijks meer op de been bleven. “Met slappe ledematen en afgezakte gezichten,” aldus Hein Mol, trof men ze zittend op stoepen en in portieken. Bij anderen sloeg de joligheid om in agressie, zodat de politie zijn handen vol had aan het ingrijpen in vechtpartijen. Toch was de officiële sluitingstijd van de kermis, om twee uur ’s nachts, voor veel Rotterdammers nog veel te vroeg. Degenen die nog helder waren, trokken te voet, of in een kar of rijtuig naar de theetuinen langs de Bergweg, zoals Landzicht, Lommerrijk, Tivoli of Freeriks. Daar werd getracht de feestvreugde zo lang mogelijk te rekken. Maar bij het ochtendgloren was het met de vrolijkheid gedaan en bood de menigte een treurige aanblik. De verslaggever van het Rotterdamsch Nieuwsblad beschreef zijn indrukken op die zondagmorgen in augustus 1888: ”De Schiekade oostzijde is bezaaid met kermisgangers. Verhitte hoofden – uitpuilende oogen – opgeblazen wangen – bezweete voorhoofden – vuile handen – beslijkte schoenen – gescheurde broeken – verfomfaaide rokken – gehavende japonnen – gekleurde jassen -gedeukte hoeden en misvormde petten zijn […] in ruime en overgroote verscheidenheid waar te nemen."
Op zondagmorgen was de kermis onverbiddelijk voorbij; het geld was op, de lichtjes doofden, de muziek zweeg, het kermisvolk brak zijn tenten en kramen af en trok verder. De feestgangers dropen af om zich thuis weer in hun dagelijks keurslijf te hijsen. Nog 355 dagen…..
Wordt vervolgd: Einde van de Kermis.
