Kermis in de 19de eeuw - 6

Kennis

 

Door Anna Horsthuis

 

 

Behalve dat de negentiende-eeuwse kermisganger vermaakt wilde worden, had hij ook een grote behoefte aan “lering.” Ook hier speelde weer de ingebakken menselijke nieuwsgierigheid een rol: het verlangen om te snappen hoe mens en natuur functioneren en om informatie te krijgen over wat er speelt in de wereld. Helaas was het voor de lagere klassen bijna onmogelijk die kennishonger te stillen in het dagelijks leven: kranten en boeken waren voor hen te duur, terwijl bibliotheken (leeskabinetten), musea en diergaarden eveneens onbetaalbaar waren of enkel toegankelijk voor of gericht op de gegoede standen. Dus bleef de kermis over als de plek aangewezen om die informatiehonger te stillen. Andersom was de kermis, met zijn naar kennis dorstende menigte bij wie het geld en de kermisfooien in de zak brandden, de ideale plaats om nieuwigheden, technieken en ideeën te tonen of  uit te proberen. 

 

 

Rondreizende Menagerieën

                                                                                                                             

Schoone welgemaakte dieren

Het jaarlijkse feest was de aangewezen plek om vreemde en wilde dieren in levende lijve te zien. Bij dagelijkse circusdieren, zoals honden, draaide het meer om sensatie dan om informatie. Lelie was een “Talentvol Verstandig Wonderhondje,” dat in 1855 op de Rotterdamse kermis te zien was. Het beestje deed iedereen versteld staan met zijn  “buitengewone Kunstverrigtingen,” aldus de krant. En bij de “kunstig gedresseerde vlooijen” die optraden in de diverse vlooientheaters ging het om de sensationele kracht van die dagelijkse plaagbeestjes.  Maar de gedresseerde aapjes en beren die met hun begeleiders op iedere kermis te vinden waren, maakten zelfs zonder hun kunstjes indruk op het publiek. In de roman ‘Jaapje’ van Jacobus van Looy bracht de berenleider met zijn beer in kermistijd een bezoek aan het weeshuis. Terwijl de wezen zich vol ontzag om het dier heen schaarden, greep de leraar de gelegenheid aan voor een lesje: “Dat is de groote, bruine Alpenbeer;” zei de meester; “ook holenbeer geheeten. Zijn vaderland is Grauw Bunderland, wie weet waar dat is gelegen?”  

 

Ook de twee giraffen die in 1844 op de Rotterdamse kermis te zien waren, hoefden geen kunstjes te doen om het publiek te verbijsteren. Nog niet eerder waren deze “natuurwonderen” in levende lijve te zien geweest in ons land. De Nieuwe Rotterdamsche Courant, die op 7 augustus 1844 verslag deed van de komende kermisvermaken, wees erop dat het bestaan van giraffen zelfs lange tijd in twijfel was getrokken. Rotterdammers konden zich dus als eersten vergewissen van de echtheid van deze “schoone welgemaakte dieren.” De “Rhenoceros van het eiland Sumatra,” die in 1839 in een tent op de Erasmusmarkt te zien was, moet het Rotterdamse publiek eveneens hebben verbaasd. Hoewel kleiner dan de olifant, “valt hij echter denzelve aan en overwint hem meest altijd,” vermeldde een advertentie in de Rotterdamsche Courant.

Lantaarnplaatje met twee berentemmers, 1790-1830. Collectie Museum Rotterdam.

Berentemmer. Uit: prent met 9 voorstellingen van de vier jaargetijden, 1873, Rijksmuseum Amsterdam.

Menagerieën                                                                                                                                                                

Naast enkele bijzondere dieren bezochten ook complete rondreizende menagerieën de kermis. Deze verzamelingen van wilde en exotische dieren waren de voorlopers van onze dierentuinen. Rondtrekkende diergaarden waren vanaf het midden van de achttiende eeuw de enige plekken waar het grote publiek verschillende uitheemse dieren bij elkaar kon zien. Vaste menagerieën  bestonden al veel langer, maar waren gewoonlijk niet publiek toegankelijk; het betrof privéverzamelingen van vorsten, edellieden en rijke burgers. 

Op de kermis. De menagerie, prent 1873.

Collectie Rijksmuseum Amsterdam.Menagerie  met dieren in kooien, op de Amsterdamse  kermis, 1801. Rijksmuseum Amsterdam.

Van Aken-clan                                                                                                                                                            

Tijdens de eerste drie decennia van de negentiende eeuw waren de menagerieën van Van Aken in wisselende samenstellingen en onder verschillende namen op de Rotterdamse kermis te vinden. Zij benadrukten hun band met de stad door het publiek in hun annonces aan te spreken met “geëerde stadsgenoten.” De menagerie van jongere broer Herman was bijvoorbeeld voor het eerst in 1815 in zijn geboortestad te zien. “De Groote Koningklijke Menagerie” die in 1817 op de Groote Zeevischmarkt was geplaatst, stond onder directie van zowel Herman als Willem. In 1820 hadden de broeders hun menagerie verrijkt met de verzameling van de koning van Württemberg en de groothertog van Baden, zodat zij “eene verzameling van eenige der prachtigste en zeldzaamste Voortbrengselen der Natuur[…]” aan hun stadsgenoten konden tonen. In datzelfde jaar trouwde mede-eigenaresse Cornelia Wilhelmina (Gertrude) van Aken met de Franse kunstpaardrijder Henri Martin. Het circus waar hij deel van uitmaakte, stond tijdens kermissen vaak naast de menagerie van Van Aken en zo was de liefde opgebloeid. Martin werd vervolgens deelgenoot in de menagerie van zwager Herman, en nam na zijn dood het bedrijf over.

 

 

In de jaren twintig en dertig van de negentiende eeuw kon je op de Rotterdamse kermis regelmatig twee Van Aken-menagerieën tegelijk vinden. In 1824 kon het publiek kiezen tussen de uit twee tenten bestaande “Groote Nieuwe Koninklijke Menagerie” van Willem van Aken en de “Groote Menagerie” van Hermanus van Aken en Henri Martin, beide op de Erasmusmarkt. Ook in het jaar 1829 waren er twee “beestenspullen” uit de Van Aken-clan in de stad: naast Willem van Aken met zijn “Koninklijke Menagerie” trof men ook de jongste telg, Cornelis van Aken, op de Groote Markt met zijn “Koninklijke Diergaarde.” Tien jaar later, in 1839, stond Cornelis, die inmiddels de dierenverzameling van zwager Martin had overgenomen, met zijn menagerie genaamd “Le Lion de Mysore” op het Hofplein. Op datzelfde plein was ook zijn neefje Antonie van de partij met zijn menagerie “Eendracht.” Antonie, die al op jonge leeftijd als onverschrokken dierentemmer had gewerkt bij vader Willem, had de leiding van het bedrijf inmiddels overgenomen.   

Portret van Herman van Aken, dierentemmer en eigenaar van een menagerie, met leeuw, 1830-1834. Naar een schilderij. Collectie Stadsarchief Rotterdam.

Het bezoek van stadhoudenr Willen V aan de menagerie van Van Aken aan de Kerklaan, 1792. Collectie Stadsarchief Rotterdam.

Poelier aan de Kaasmarkt                                                                                                                                   

Reizende menagerieën vierden hun grootste successen in de eerste drie decennia van de negentiende eeuw. Daaraan leverde de Rotterdamse familie Van Aken een aanzienlijke bijdrage. Anthony van Aken, poelier aan de Kaasmarkt te Rotterdam en handelaar in levende dieren, kocht in 1791 de menagerie van een zekere Arnoldus Ameshoff, eigenaar van een buitenverblijf aan de Amstel. Van Aken verplaatste de menagerie naar zijn eigen buitenplaats aan de Rotterdamse Kerklaan in het ambacht Cool. Deze dierenverzameling was tegen betaling toegankelijk en verwierf in die jaren een landelijke bekendheid. Van de kinderen van Anthony van Aken traden vier zonen en een dochter in zijn voetspoor: Anthony junior, Willem, Herman en Cornelis van Aken bezaten rondtrekkende dierenverzameling die in de eerste helft van de negentiende eeuw tot de belangrijkste in Europa behoorden. Zus Cornelia Wilhelmina trad op als mede-eigenaresse. 

 

De Van Akens stelden steevast exotische dieren ten toon die nog niet eerder in Europa vertoond waren en verkochten ze bovendien aan bekende vorstenhoven, waaronder aan de keizer van Oostenrijk. Anthony junior en Willem bezaten daarnaast, net als hun vader, een poelierszaak in Rotterdam, respectievelijk op de hoek van de Keizerstraat en Visschersdijk en in de Kleine Draaisteeg. In de Rotterdamsche Courant van 7 augustus 1819 adverteerde de familie nota bene zowel met de poeliersbedrijven als met hun menagerie:  “polier” Anthony van Aken Jr. was ruim gesorteerd “van blank gemeste Volaille,” en had watersnippen in de aanbieding. Zijn broer Willem uit de Draaisteeg bood “fijn gevogelte” aan en het meest gezochte wild van het “saizoen.” Direct onder deze annonces volgde een aankondiging van  de Heeren van Aken en Comp.  en hun “geheele Nieuwe Menagerie.”

Portret van Anthony van Aken, 1798-1800. Foto naar een schilderij. Collectie Stadsarchief Rotterdam.

Herman van Aken tussen zijn leeuwen, kermisprent 1822. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Gediertens en Gevogeltens                                                                                                                                    

In de advertenties van de familie Van Aken lag er veel nadruk op nieuwe aanwinsten in hun collectie van “groote prachtige en zeldzaam voorkomende Viervoetige Gediertens en Gevogeltens.” Zoals de “Vogel Kasuaris,”  een der grootste vogels.  Het dier “heeft geene Vederen, maar [is] gantsch met haar bewaschen.” Of de “Koninklijke Tijger,” hebbende een geelachtige Huid met zwarte strepen; de weerga van Schoonheid van dit dier is alhier nimmer te zien geweest.”  De “gestreepte Hijena,” was “wild en vraatzuchtig,” de “gruwzaamste aller Dieren,” met “naakte Ooren, lang haar op het lijf en Manen langs den hals […]; hij verbrijzelt de hardste Beenderen.” Ook de “Groote Baribal, van Noord-Amerika” was “een der wreedaardigste.” Zijn “geheele ligchaam is met zwarte glinsterende haren bedekt.” De jonge Buffelstier was “om zijne grootte en sterkte dubbel merkwaardig.” “Zijne kracht gaat zoo ver, dat hij, in woede zijnde, den zwaarsten boom ontwortelt en uit den grond rukt.” Dit steeds uitgebreider aanbod aan uitheemse diersoorten waar menagerieën over konden beschikken, was het gevolg van de groeiende handelsstromen en zich uitbreidende koloniale rijken die in de loop van de negentiende eeuw de handel in dieren steeds gemakkelijker maakte.

 

Vooral 1824 was een topjaar, toen Willem van Aken een samenwerking aanging met een andere menageriehoudster genaamd Madame Tournière. De verscheidenheid aan dieren die zij op de Rotterdamse kermis exposeerden was enorm: niet alleen waren op de Groote Zeevischmarkt de “twee grootste tot nu toe op de wereld bekende dieren” te zien, te weten de “Rhenoceros of Neushoorn en de Afrikaansche Olifant,” tevens konden, in een tweede tent naast het Gemeenlandshuis van Schieland de “oude Senegaalsche Leeuw en Leeuwin” bezocht worden, met “hun twee levende en nog zogende Jongen.” De jonge leeuwtjes waren “op den 25 Junij laatstleden binnen deze stad geworpen.” Naast deze indrukwekkende dieren kon de Rotterdammer zich vergapen aan een “Barbarijsche Leeuw, zes tijgersoorten, de Phanter-Tijger, Luipaard, IJsbeer, Antilope, Gazellen, Afrikaanse wolven,  laplands Rendier, Afrikaanse stekelvarkens, twee Amerikaansche Barribals, Rat van St. Helena, Oposcusm, twee Schneumons of Slangen- en Krokodillen-doders, Struisvogel, Casuarissen, Pelikanen, Kroonkranen en een collectie van zeldzame kleine Viervoetige Dieren en Vogelen.”   

 

 

 

 

 

 

Aanplakbiljet ter bezichtiging van het wonderkind Janna Drabbe op de kermis van 1819. Collectie Stadsarchief Rotterdam.

Volksprent met voorstellingen van dieren, 1848-1881, Rijksmuseum Amsterdam.

Schouwspel der natuur, deel van kinderprent met kermisvermakelijkheden, circa 1875. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Huiveringwekkende vertooningen                                                                                                                           

In onze dagen zou je raar opkijken als er in het leeuwenverblijf van de dierentuin plots een leeuwentemmer optrad. In de negentiende -eeuwse reizende menagerie waren (wetenschappelijke) belangstelling en sensatie niet gescheiden. Aan de ene kant riepen menagerieën “Natuurkenners” en liefhebbers der “Natuurlijke Historie,” nadrukkelijk op om een kijkje te komen nemen. Cornelis van Aken gaf aan in een advertentie uit 1829 dat hij steeds bemoedigd was door de goedkeurig en tegenwoordigheid van “verscheiden Natuurkundigen” die hem onlangs te Leiden hadden bezocht. En in Utrecht hadden “Professoren en Kweekelingen van de Vee-Artsenij School” belangstelling getoond voor zijn verzameling. Willem van Aken bood gedurende de kermisweek een abonnement aan “om den Natuurminnaren in de gelegenheid te stellen, de uitgebreide Verzamelingen (…) met gemak te kunnen bezigtigen, de Exercitie met de Leeuwen, de Voeding der dieren, het zogen der Jonge Leeuwen te kunnen bijwonen.” Tegelijk moesten menageriehouders concurreren met het vele schoons op de kermis en om die reden trachtten ze het verwende publiek te verleiden met “vreemde huiveringwekkende vertooningen.”

 

De voeding van de dieren, een of twee maal daags, was zo’n vertoning. Tijdens het voederen zou immers “den waren aard der onderscheiden Diersoorten” naar voren komen: “[…] het is op dit oogenblik, dat men dezelve moet bezigtigen, hoe zij hun wreeden woesten aard weder aannemen, en de hardste beenen van een te zien verbrijzelen,” aldus de Gebroeders Herman en Willem van Aken in 1817. Dat de “vleeschvretende Dieren” levende beesten voorgeschoteld kregen, zal verder hebben bijgedragen aan het huiveringwekkende karakter van het schouwspel. Zo kondigde Cornelis van Aken in 1839 aan in een advertentie dat zijn “Boa Constructor,” na drie maanden gevast te hebben, “een levenden Geiten-Bok” zal inslikken. Ook zal de “IJsbeer, van Nova Zembla,”[…] een groot bad nemen, waarin levende Eenden zwemmen, waarop hij jagt maakt.” De Egyptische Ichneumon, niet groter dan een kat, zal bovendien “in weinige minuten een Kalkoenschen Haan dooden en daarna verslinden.” Het zal niet verbazen dat voedertijden zeer in trek waren bij het publiek. De Van Akens vermeldden nadrukkelijk in hun annonces de entreeprijzen in die uren niet te verhogen. 

Binnenkant menagerie. Blad met twaalf voorstellingen van de attracties, kramen, voorstellingen en bezienswaardigheden op de Amsterdamse kermis, 1814-1820. Rijksmuseum Amsterdam.

Ingang van een menagerie. Kermisprent, blad met twaalf voorstellingen van kermisvermaak. Circa 1828-1850. Rijksmuseum Amsterdam.

Dompteur                                                                                                                                                             

Tijdens en rond het voederen van de dieren werden gewoonlijk dressuurnummers uitgevoerd. “Men heeft nooit gezien;” schreef de Rotterdamsche Courant in 1817, “dat hun verzorger bij twee Leeuwen ongewapend in het hok treedt, met dezelve speelt, op het woord doet liggen en opstaan, hun de Kaken opent en den Aanschouwer deszelfs Tanden en Tong doet bezigtigen; eindelijk duwt hij zijn hoofd in deszelfs Muil en doet in de Keel het geluid van den Leeuw weergalmen.” Ook van zulke spectaculaire optredens viel iets te leren: “Deze onderneming, welke zoo algemeen door het publiek is bewonderd, heeft doen ondervinden […] dat den Mensch zelfs heerschappij voert over den Koning aller Dieren […],” aldus Herman van Aken in 1822.  Anthony van Aken trad al op jonge leeftijd op als dompteur in de menagerie van zijn vader Willem. In 1829, als 18-jarige, wist hij “Twee gevlekte Hijiena’s zoodanig […] tam en handelbaar te maken, dan men een hond moeijelijk zoo verre zouden kunnen brengen […],” aldus de advertentie in de Rotterdamsche Courant. Zeven jaar later schreef een Groningse recensent hoe de heer Antony van Aken de hokken “der allerwoeste en bloeddorstigste dieren der geheele Menagerie” binnentrad: “de schoone Bengaalsche tijger legde zich kwispelstaartende neder en liet zich door hem strelen.”

 

Henri Martin, de Franse echtgenoot van Gertrude van Aken, verwierf internationale roem als dierentemmer. Van oorsprong kunstspringer, was hij zich in het dieren temmen gaan specialiseren toen hij lid werd van de Van Aken-familie en betrokken werd bij het beheer over een menagerie. Hij bleek een natuurtalent; tussen 1821 en 1835 vertoonde Martin indrukwekkende staaltjes roofdierendressuur op vele Europese kermissen. Een advertentie in de Rotterdamsche Courant van 1824 vermeldde, dat Martin zich kon “flatteren, door deszelfs moed en beleid de drie voornaamste roofdieren ter wereld tot onderwerping te hebben gebragt, namelijk den grooten Koninklijken Tijger van Bengalen, den Leeuw en de Heyena van Azië.” Toen Martin in 1830 met zijn menagerie in Parijs vertoefde, kreeg hij de hoofdrol aangeboden in een spektakelstuk genaamd “Les Lions de Mysore.” Dit was een zich in India afspelend romantisch drama waarin alle dieren van de menagerie een rol hadden. Het stuk vierde triomfen, met 700 optredens in Londen en elders in Europa en maakte van Henri Martin een internationale ster. Toch vestigde hij zich zes jaar later – nadat hij de menagerie aan zijn zwager had overgedaan – in Kralingen nabij Rotterdam. Dit op verzoek van zijn vrouw Gertrude van Aken die graag in de buurt van haar familie wilde wonen. Aldaar legde hij zich toe op het kweken van rozen. Maar zijn liefde voor dieren raakte hij niet kwijt, zodat hij in 1857, op zestigjarige leeftijd, een positie verwierf als eerste directeur van de net opgerichte Rotterdamse Diergaarde.

 

Hoewel de Diergaarde aanvankelijk alleen toegankelijk was voor vooraanstaande Rotterdammers die lid waren van de “Vereniging Rotterdamsche Diergaarde,” kreeg tijdens de kermis “den handwerkersstand” de gelegenheid tegen een gering bedrag een kijkje te nemen. Kinderen van weeshuizen, diaconieën en armenscholen, konden, net zoals in Van Akens menagerie, gedurende de kermis gratis naar binnen. 

De dierentemmer. Blad met 12 voorstellingen, 1873. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Portret  van Henri Martin (1793-1882), dompteur en eerste directeur van de Rotterdamse diergaarde. Vervaardiger: Raden Sarief Bastaman Saleh. Collectie Museum Rotterdam.

Vrouw Dimanche. Uit: Beschrijving van het Ontleedkundig Museum van Dr. Kahn, 1849.

 

Anatomische musea

 

 

Een andere leerzame attractie op de kermis was het anatomisch museum.  Rondreizende anatomische musea toonden de vernuftige lichaamsbouw van voornamelijk de mens, maar ook van het dier, door middel van natuurlijke preparaten  en anatomische modellen gemaakt van was, leer of papier mâché. Na het betreden van de tent stond de bezoeker bijvoorbeeld oog in oog met de skeletten van kinderen die de groei van het menselijk lichaam verbeeldden, of met foetussen op sterk water in verschillende stadia, die de “wonderbare ontwikkeling der moederlijke vrucht van week tot week” verbeeldden. Er waren ontlede hoofden van was te bewonderen, of modellen van het oor, hart of oog. 

   

Natuurspelingen                                                                                                                                                           

In 1850 stond het beroemde Anatomisch Museum van Dr. Kahn opgesteld op het Nieuwe Plein bij de hoek van de Oppert. Het was te bezichtigen van “des morgens 10 ure tot des avonds 11 ure.” Op de Erasmusmarkt in een “fraaie door Gaz verlichte tent” kon de Rotterdammer in 1865 “Bil’s Parijzer Tentoonstelling” gaan bekijken, voorstellende: “De vergelijkende Anatomie van den Mensch, het Dier, het Insect en de Planten […].” Op het Hofplein bij de Delftsche Poort was in 1869 het Anatomisch, Geologisch en Natuurhistorisch Museum van Dr. Hartkopff geplaatst, waar “vele nieuwe praeparaten” werden tentoongesteld. Hartkopffs kabinet vertoonde “zeldzame fossiliën,” “Insecten uit den voorwereldlijken en tegenwoordigen tijd,” “visschen en amphibieën op liquor” en “zuiver in was vervaardigde figuren der onderscheidende volksstammen,” aldus de Nieuwe Rotterdamsche Courant op 13 augustus 1862. 

 

Om een groot publiek naar binnen te lokken, vestigden deze musea in hun advertenties, al of niet met illustraties, de aandacht op  hun meest sensationele voorwerpen: modellen of preparaten van opvallende “natuurspelingen.” Zo wees dr. Kahn op zijn wassen model van “Vrouw Dimanche,” een dame uit een dorp bij Parijs die een uitwas op haar hoofd had “met een lengte van ongeveer 12 duimen.” Dr. Hartkopff trok de aandacht met “De Siameesche Tweelingbroers Chang en Eng, Levensgroot met sprekende gelijkenis.” Het betrof een wassen model van de rond 1850 beroemde en nog springlevende Charles en Eng Bunker (1811-1874). Deze in Thailand ontdekte, oorspronkelijk Chinese en aan elkaar vast zittende tweelingbroers gaven vooral voorstellingen op Amerikaanse kermissen. Het begrip “Siamese tweeling” vond bij hen zijn oorsprong. Ook toonde Hartkopff in 1862 op de Rotterdamse kermis een wassen hoofd van “het wonderschepsel Julia Pastrana.” Julia (1834-1860) was een inheems Mexicaans meisje dat door een ziekte behaard was en aapachtige gelaatstrekken bezat. Net als Chang en Eng trad zij op; ze zong en danste op Amerikaanse en Europese kermissen. Kort na de geboorte van haar zoon stierf ze echter in Moskou, waarop haar echtgenoot de lugubere beslissing nam om haar gebalsemde, gepreserveerde lichaam en dat van haar eveneens overleden zoontje als rariteit op Europese kermissen te vertonen. Pas in 2013 werd haar lichaam op een waardige manier ter aarde besteld in Mexico.     

De Siamese tweeling Chang en Eng Bunker (1811-1874), circa 1830. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Ken u zelven                                                                                                                                                        

Toch waren anatomische musea niet slechts “freakshows;” ze hadden serieuze didactische intenties. Dr. Joseph Kahn, afkomstig uit Haguenau in de Elzas, zag het als zijn taak met zijn museum de schoonheid van het menselijk lichaam aan te tonen: “De mensch, die door zijn edelen geest naar de heerschappij over de geheele natuur dingt, is door den bouw van zijn ligchaam, ontegenzeggelijk het meesterstuk der Schepping. Welk een schooner taak zou dan ook dien geest kunnen worden opgelegd, dan de wonderen na te vorschen, welke de Schepper in de zamenstelling zijns ligchaams heeft daargesteld?,” schreef hij in het voorwoord van zijn catalogus.  

Onder het motto “Ken u zelven” moedigde hij zowel gewone bezoekers als medische studenten en wetenschappers aan een blik te werpen op “den innerlijken bouw des menschen.” Het lekenpubliek kon er “aangename en leerzame uren” doorbrengen, terwijl de anatomische objecten door wetenschappers te gebruiken waren als hulpmiddel en ondersteuning bij hun studie. 

De collecties van rondtrekkende anatomische musea waren vaak afkomstig uit, of gebaseerd op voorwerpen uit wetenschappelijke instellingen. Dr. Kahn, die zijn eigen medische opleiding graag benadrukte, zocht bovendien de erkenning van en soms samenwerking met lokale geneesheren. Hun positieve commentaar bereikte de pers en trok veel publiek. Op 8 juni 1850 schreef de Dordrechtsche Courant: “De Plaatselijke Commissie van Geneeskundig Toevoorzigt te Dordrecht, willende voldoen aan het verzoek van den heer Kahn, betuigt bij deze, dat zij met het grootste genoegen diens Kabinet bezigtigd en daarin veel schoons gevonden heeft.” Ook de Nieuwe Rotterdamsche Courant voelde zich in 1850 “genoopt andermaal met grooten lof” van het Anatomisch Museum van dr. Kahn “te gewagen.” De krant benoemde onder andere een aantal preparaten in Vergelijkende Ontleedkunde, die het werk waren van “de heer Schubärt te Utrecht, onder leiding van professor Schroeder van der Kolk.”                                                                                                                                                            

 

Wassen anatomisch model van een hoofd door Laumonier (1749-1818. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Bedorven lust                                                                                                                                                          

Deze nadruk op wetenschap was ook een antwoord op de afkeuring waar anatomische musea in de preutse negentiende eeuw mee te maken kregen. Sommige bezoekers zagen in die verzamelde lichamen een bewijs van zedenverval. Het tijdschrift De Honingbij (of Bloemlezing op het gebied der Kunst, Wetenschap en Smaak) van februari 1850 deelde die mening. Hoewel dr. Kahn, net als andere uitbaters van anatomische musea,  zijn onderneming voor kinderen had verboden en voor vrouwen slechts beperkt openstelde, achtte het tijdschrift dit niet voldoende. Het was van mening “dat er voor oningewijden, voor niet genees- en heelkundigen, geen regtstreeks nut in steekt, kennis te nemen van het inwendige onzes ligchaams, en dat noch direct noch indirect de zedelijkheid noch de volmaaktheid der ziel kan bevorderd worden, door met onbescheiden blikken te turen op wat de natuur wijselijk met eenen sluijer wil overdekt houden.” Lieden zonder kennis van “de wetenschap der ontleedkunde” zouden het anatomisch kabinet enkel willen bezoeken “of uit nieuwsgierigheid of aangeprikkeld door bedorven lust.” 

 

Afschrikwekkend effect                                                                                                                                               

Om de kritiek op het onzedelijke karakter van hun anatomische musea te ontwijken, gingen de uitbaters in de tweede helft van de negentiende eeuw in hun opstellingen meer nadruk leggen op ziekten en de preventie ervan. Steeds vaker vertoonden hun preparaten en modellen in was de gruwelijke gevolgen op het gezonde lichaam van met name geslachtsziekten, alcoholmisbruik en tuberculose. De gedachte was dat het publiek, vooral het massaal op de kermis aanwezige arbeiderspubliek, door het afschrikkende effect van de uitgebeelde aandoeningen aangespoord zou worden tot een matige, gezonde en morele levenswijze. 

                                                                   

Ook dr. Kahn had al oog voor ziekte en preventie in zijn museum. Om meisjes en vrouwen te waarschuwen voor het dragen van een (te strak) korset, toonde hij, aldus de catalogus: “Een fetus, misvormd en afgedreven door het dragen van een keurslijf.” Iets verderop in de tentoonstelling was “De schoone ligchaamsbouw van een meisje, welke nooit geen keurslijf gedragen had,” te bewonderen. Meer aandacht besteedde dr. Kahns kabinet aan de zogenaamde “Venusziekte,” ofwel syfilis: “Ieder onervaren jongeling kan zich hier de 27 slagtoffers dier vreesselijke ziekte ten voorbeelde kiezen, om er zich aan te spiegelen,” aldus de catalogus. “Daarom dan ook bezocht menige vader met zijne zonen dit kabinet, waar de gevolgen van ongeoorloofde uitspattingen en het toegeven aan schandelijken lust als in een geopend boek te lezen staan,” schreef weekblad De Hydra naar aanleiding van de opstelling. Hetzelfde tijdschrift merkte op dat er in Kahns museum “te weinig voorbeelden zijn van den verderfelijken invloed, welken het misbruik van sterken drank op het menschelijken lichaam maakt […].” De Nieuwe Rotterdamsche Courant was daarentegen in 1863 zeer te spreken over de “praeparaten” die dr. Hartkopff op de kermis vertoonde, daar “zich daaronder veel bevindt, hetwelk krachtiger dan alle zedelijke vertoogen de verschrikkelijke gevolgen van een ongeregeld levensgedrag doen inzien.” 

 

Het valt te betwijfelen of de vrolijke en sensatiebeluste kermisganger na een bezoek aan het anatomisch museum werkelijk besloot zijn leven te beteren. De uitbaters van anatomische musea lagen daar vast niet van wakker, zolang het publiek hun kabinetten maar wist te vinden.                                                                                                                                                                                        

 

Portret van de heer Kahn en een anatomisch model, te zien in het museum van de heer Kahn. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.  

Model-steenkolenmijnen

 

Niet alleen het onzichtbare binnenste van de mens interesseerde de nieuwsgierige kermisgangers, ook het binnenste der aarde fascineerde hen. “In een tijd als de onze, waarin de steenkolen en de daardoor teweeg gebragte stoom een zoo grote rol spelen, is het van groot belang kennis te maken met de werkzaamheden der arbeiders in eene steenkolenmijn […]” schreef  de Rotterdamsche Courant op 17 augustus 1860. Het grote publiek kende de mijnexploitatie per slot van rekening slechts van beschrijvingen of een enkele afbeelding. Niet verwonderlijk dus, dat de twee model-steenkolenmijnen op de Rotterdamse kermis van 1860 veel aandacht trokken. 

 

Raderwerken en mokerslagen                                                                                                                                     

Op het Plein achter het Gemeenlandshuis was het door Jules Motte vervaardigde exemplaar opgesteld. Deze model-steenkolenmijn stelde No. 12 van de Grand Hornu in het bassin van Mons (Wallonië) voor. “Boven de Mijn;” aldus de Rotterdamsche Courant in een beschrijving van deze attractie, “ziet men al de machines in werking en in de mijn de verschillende onderdeelen der exploitatie verrigten door een aantal mijnwerkers.” De journalist roemde de levensechtheid van de opstelling “waar de raderwerken en mokerslagen onophoudelijk in de oren dreunen.”  “Reeds bij het binnentreden der tent heeft men den indruk van het eigenaardig gedruisch in die onderaardse groeven en holen, door een stoommachine die voortdurend den geheelen toestel in beweging houdt.” Daarbij kon de bezoeker door middel van een “optisch werktuig” eveneens een indruk verkrijgen van de diepte van een mijn “terwijl men dan tevens de arbeiders beneden zich aan het werk meent te zien.”                                                                    

Ook de “Groote Engelsche Steenkolenmijn,” die in een fraai ingerichte tent op de Vest stond (naast de beignetkraam van de heer Max), werd in beweging gebracht door een stoommachine. Het gevaarte was cirkelvormig en in reliëf vervaardigd.  Ook dit model was levensecht: “men waant zich te bevinden in de Ingewanden der Aarde op der oogenblik, dat de werkzaamheden in vollen gang zijn, Mannen, Vrouwen, Kinderen, Paarden, alles in bedrijvigheid,” schreef de Rotterdamsche Courant.                                                                                                                                                                                         

 

Twee Mijnwerkers, volksprent Ambachten en Bedrijven. Vervaardiger: H.Lüden. 1850-1881. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.  

Huivering                                                                                                                                                                      Deze attracties waren informatief maar speelden ook in op de sensatielust van het kermispubliek. Want hoewel de recensent  van de Rotterdamsche Courant braaf sprak van “eene waardige bijdrage zoowel tot de kennis van de schatten des aardrijks, als tot die der industriële resultaten, door moed en wetenschap verkregen,” zullen veel bezoekers vooral hebben verlangd naar een inkijkje in het onvoorstelbaar zware bestaan van de mijnwerkers (zowel mannen, vrouwen als kinderen) die tien tot twaalf uur per dag zwoegden in pikdonkere, krappe schachten. Zij waren het immers die de prijs betaalden voor de Industriële Revolutie. Een mijnwerker werd gemiddeld niet ouder dan veertig jaar als gevolg van longziektes, maar vaak haalde hij of zij die leeftijd niet eens, omdat instortingen, overstromingen, ontploffingen en gasvergiftigingen in de mijn dagelijkse praktijk waren. Beide model-steenkolenmijnen beloofden hun bezoekers “een studie der zeden en van den Arbeid der Mijnwerkers en den gevaren waaraan zij zijn blootgesteld door het zwavelzuur, de Aardstortingen, Overstromingen enz. enz.” De Rotterdamsche Courant sprak op 14 augustus naar aanleiding van deze attractie over de “vaak angstwekkend gevaarlijke en steeds moeielijke werkzaamheden der mijnwerkers […]”en over de onwillekeurige huivering die een bezoeker overviel “bij den aanblik van die sombere verblijven[…].” Menigeen zal na afloop van het bezoek de frisse buitenlucht en het vrolijk kermisrumoer met dankbaarheid hebben begroet.

   

Germaans museum                                                                                                                                                  Hoezeer leerzame, museale attracties onderdeel vormden van de negentiende-eeuwse kermis, blijkt uit een bericht met de titel “vermakelijk misverstand,” gepubliceerd in het Rotterdamsch Nieuwsblad van 6 augustus 1900: “In het een of ander gehucht in den Pfalz was een vondst gedaan, die van groote historische beteekenis kon geacht worden. De dir. Van het Germaansche museum in Neurenberg vond ze belangrijk genoeg om […] ter plaatse een onderzoek in te gaan stellen. Zijn eerste werk was zich aan den burgemeester van het dorpje te gaan voorstellen: “Mijn naam is N.N., directeur van het Germaansche Museum te Neurenberg – “ “-Ja hoor eens, lieve man!” viel de burgemeester hem in de rede – “dat spijt mij, maar wij hebben reeds een carrousel, een schiettent, een reuzedame en een honden- en apentheater, en nu komt gij twee dagen voor de kermis met uw Germaans museum!”                                                                                                                                                                                    

 

Mijnwerkers, volksprent Ambachten en Bedrijven. Vervaardiger: H. Lüden.1850-1881. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Mijnwerker aan het werk in een mijn bij Kerkrade, 1900-1902. Stereofoto. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Eerder gepubliceerd in "Ons Rotterdam."

 

 

 

 

 

Wordt vervolgd: Net echt

Information icon

We hebben je toestemming nodig om de vertalingen te laden

Om de inhoud van de website te vertalen gebruiken we een externe dienstverlener, die mogelijk gegevens over je activiteiten verzamelt. Lees het privacybeleid van de dienst en accepteer dit, om de vertalingen te bekijken.