Net Echt-2
Door Anna Horsthuis
Panorama’s
De werkelijkheidsillusie waar het negentiende eeuwse publiek naar verlangde, kon ook bereikt worden door middel van immense, natuurgetrouw geschilderde doeken in combinatie met de nieuwste presentatietechnieken. Die twee elementen kwamen samen in het panorama, ook wel cyclorama genoemd, en afgeleiden daarvan, het diorama en het cosmorama. Tijdens de hele negentiende eeuw waren deze attracties enorm populair, zowel op, als buiten de kermis.
Het panorama stamt uit de achttiende eeuw en is uitgevonden door Robert Barker, een Ierse schilder die er in 1787 patent op vroeg. Zijn uitvinding bestond uit een cirkelvormig gebouw, ook wel een cyclorama genoemd, waarin tegen de gehele binnenwand een doek werd gehangen. Lichtinval kwam van boven door een glazen koepel en de toeschouwer moest van onder het doek komen om het platform in het midden te bereiken. Vaak was dat via een donkere wenteltrap, zodat bezoekers het felle daglicht van buiten ontwenden en bovendien een beetje gedesoriënteerd raakten. Belangrijk was, dat het publiek enige afstand hield tot het doek, zodat het de boven- en onderrand niet zag. Want juist die rand verstoorde de werkelijkheidsillusie, zoals de lijst dat doet bij een gewoon schilderij. Als onderwerp hadden de enorme doeken vaak landschappen en stadsgezichten, maar ook bekende veldslagen. Bezoekers waren zeer onder de indruk en hadden het gevoel zich te midden een echt landschap of een echte stad te bevinden, of nog spannender, te midden van een gevecht. Een journalist van de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant nam in augustus 1880 zijn lezers mee naar het Panoramagebouw in Brussel, waar de Slag bij Waterloo te zien was: ”[…] ga dien ijzeren wenteltrap op, en…. -Hemel!...” Gij schrikt? Houd u bedaard, wij zijn nog te Brussel […], al is het te midden van duizenden soldaten, midden in de helsche verwarring van een veldslag….Pang! ziet ge daar dien overste van het paard storten?... Pas op! Zou die roodrok daar ’t op ons….maar neen, een snorrebaard met hooge beeremuts op het hoofd, zakt, doodelijk getroffen, ineen.“

Toelichting op het panorama van de Slag bij Waterloo, 1816. Vervaardiger: E. Maaskamp. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Cyclorama van de Slag bij Gettysburg in Brooklyn, doorsnede, 1886. Wikimedia Commons.
Echte voorwerpen In de loop van de negentiende eeuw werden vele panorama’s geschilderd en geëxposeerd. Het meest populair waren ze in Frankrijk; aan het begin van de negentiende eeuw konden Parijzenaren verschillende veldslagen en stadsgezichten bewonderen in speciaal voor dat doel opgerichte constructies. Na 1870 volgde door heel Europa een nieuwe golf van enthousiasme voor de attractie. Die hernieuwde liefde van het publiek was het gevolg van een toevoeging die de illusie van echtheid nog groter maakte: tussen het schilderij en het kijkersplatform werden echte voorwerpen neergelegd en dit driedimensionale deel ging geraffineerd en onmerkbaar over in het tweedimensionale schilderij. Ook bovengenoemde Slag bij Waterloo had die toevoeging: “Slechts met moeite;” schreef de journalist, “begint ge te begrijpen […] dat de top van dien omvergeschoten boom, waarvan de bladeren tusschen de tralies onzer omheining doorsteken, daar in werkelijkheid ligt, maar dat het onderste gedeelte van den stam schilderwerk is. Dat het paadje hier vlak bij ons een heusch paadje is, en de plank […] een heusche plank is, maar aan den wand vastgespijkerd en voerende over een half reëel, half nagemaakt slootje.”
Groot Nationaal Panorama Ook in Nederland kwamen er verschillende permanente panoramagebouwen tot stand, vooral in de laatste decennia van de negentiende eeuw. Panorama Mesdag in Den Haag bijvoorbeeld, dat het gezicht op Scheveningen vanaf het Seinpostduin toont. Het is een van de weinige overgebleven panorama’s in Europa. Maar ook Amsterdam en Rotterdam kregen een panoramagebouw. Het Rotterdamse, genaamd “Groot Nationaal Panorama,” was gevestigd aan de Stationsweg, op loopafstand van het Centraal Station en de Diergaarde. Bezoekers konden zich er onderdompelen in de beroemde Slag bij Nieuwpoort uit 1602. Het doek was 14 meter hoog en maar liefst 115 meter lang. Ook dit panorama maakte gebruik van driedimensionale voorwerpen en “mannequins” om de illusie te vergroten. De eerste opening vond plaats op 15 augustus 1881 tijdens de kermis, zodat de nieuwe attractie mee kon profiteren van het vele op amusement beluste volk dat op de been was. Al in 1886 hield het Rotterdamse panorama echter op te bestaan, en werden terrein, gebouw en doek in het openbaar geveild.
Ronde tent aan de Oostpoort Op de Rotterdamse kermis waren vanaf vroeg in de negentiende eeuw panorama’s te zien. In 1822 al adverteerde de heer Toselli, “voorheen Decorateur en Toneelschilder der Rus-Keizerlijke Theaters,” in de Rotterdamsche Courant met zijn “Panorama der zoo zeer vermaarde Residentie St. Petersburg.” In zijn tent, achter het Gemeenlandshuis, had hij tevens “Het Panorama der onlangs plaats gehad hebbende Instorting der Oost-Indische Compagnie-Werf te Amsterdam” in petto voor het publiek. Dezelfde krant berichtte in 1836 over “het overschoon Panorama van Salzburg, dat in een ronde tent aan de Oostpoort stond opgesteld.” Dit panorama werd in 1824 op aanmoediging van keizer Franz I vervaardigd door kunstenaar Johann Michael Sattler, samen met een aantal andere bekende schilders (panorama’s waren doorgaans te groot om door één persoon te worden geschilderd). Het toonde de stad Salzburg en omgeving van rond 1825. Nadat het een paar maanden in Salzburg was tentoongesteld in een houten paviljoen, vertrok Sattler met het panorama, zijn familie en een timmerman op tournee door Europa. De reis met het bijna 26 meter lange en bijna 5 meter hoge doek ging voornamelijk per woonboot, langs talloze Europese steden. In Rotterdam was zoon Hubert Sattler Jr. , eveneens schilder, tijdens de kermis aanwezig. Hij hield zich er, behalve met het panorama, bezig met het maken van ”Miniatuur-portretten van allerlei aard;” waarschijnlijk een leuke bijverdienste. Interessant is dat ook dit panorama, als een van de weinige, nog bestaat. Het is te zien in een speciaal aangebouwde rotonde in het Salzburgse Museum Carolino Augusteum.

Panoramagebouw in Amsterdam dat een panorama van Parijs toonde, gezien vanaf de Tuilerieën, 1816-1818. Bovenste voorstelling: gezicht in het interieur, onderste voorstelling: exterieur. Vervaardigers: Pierre Prévost en (...) Fontaine. Collectie Stadsarchief Amsterdam.
Beweegbare Panorama’s Landschappen, stadsgezichten, oorlogshandelingen en recente, visueel spectaculaire nieuwsfeiten vormden dus de thematiek van de (reizende) panorama’s. Moeilijker is het om na te gaan hoe de tijdelijke panoramagebouwen op de kermis er precies uit zagen. Sattlers panorama, met zijn 26 meter nog vrij klein, stond opgesteld in een ronde houten tent, waarschijnlijk van zo’n tien meter doorsnee. Relatief kleine panorama’s zullen op deze manier zijn opgesteld. Grotere panorama’s waren vaak meer dan 100 meter lang, en hadden een inwendige diameter nodig van zo’n 40 meter. Daar zal nauwelijks plaats voor geweest zijn op de straten en pleinen waar de kermis plaatsvond. Misschien dat er om die reden op de kermis vaak beweegbare panorama’s te zien waren. Hoe deze precies werkten, wordt enigszins verduidelijkt in een annonce in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 1 augustus 1848, voor de attractie “Pantheon Mythologique.” Deze attractie omvatte onder andere een “beweegbaar panorama der Parijsche Boulevards,” dat als volgt werd omschreven: “300 ellen schilderwerk (zo’n 208 meter) passeert al rollende voor de oogen des publieks.” Het panoramaschilderij liep hierbij tussen twee verticale assen; van de ene werd het afgewikkeld en op de tweede weer opgerold. Op die manier moet de voorstelling minder plaats in beslag hebben genomen. Tijdens de kermis van 1835 bracht het “Kabinet D’Illusions,” geplaatst op de Erasmusmark, het beweegbare panorama “Eene Reis ter Zee: De verscheidenheid der Schepen, die elkander voorbij zeilen […] het gezigt der verte, waarin zij zich ongemerkt schijnen te verliezen; al de schoone streken welke men van tijd tot tijd ziet afwisselen door eene volle Zee […] in één woord, het geheel dezer Voorstelling draagt op een zondelinge wijze bij tot het verkrijgen van een juist denkbeeld eener Zeereis.”
Veel bezocht werd ook het beweegbare panorama van de Zeeslag bij Algiers uit 1816, dat de Engelsman Laidlaw in 1825 op de Rotterdamse kermis toonde. In die slag had een gecombineerde Engels-Nederlandse vloot een poging gedaan om een einde te maken aan de piraterij van de Barbarijers en aan hun gewoonte om kustdorpen te overvallen, beroven en de inwoners in slavernij te brengen. De advertentie in de Rotterdamsche Courant gaf een voorproefje van de beelden die zich voor de toeschouwer zouden ontrollen: “Men ziet de beide Vloten Algiers naderen, de Schepen voor de stad ankeren, de Slag gedurende de Nacht voortduren, terwijl een gezigt van het vernielde Algiers en het afhalen der vrijgemaakte Christen-Slaven, door de sloepen en schepen, de Vertooning besluit.” Vijf jaar later, in 1830, kon het Rotterdamse publiek bij Laidlaw komen kijken naar een andere recente zeeslag, die van Navarino (1827). In feite was er sprake van een soort bioscoopjournaal avant la lettre, ook vanwege de militaire muziek die de voorstelling begeleidde en de spreker- “een persoon, genoegzaam bedreven in de Hollandsche, Fransche en Duitsche Talen”- die het publiek uitleg gaf over de langs glijdende beelden. Entreeprijzen waren pittig: één gulden voor de eerste rang en vijftig cent voor de tweede (een goed betaalde arbeider verdiende per jaar zo’n 500 gulden).

Voorbeeld van een panoramagebouw. Plantage Middenlaan, Amsterdam. Collectie Stadsarchief Amsterdam.
Cyclorama’s In de jaren vijftig van de negentiende eeuw groeiden deze bewegende panorama’s op kermissen uit tot gigantische afmetingen, zelfs tot aan verscheidene kilometers! Deze aan de neus van de toeschouwer voorbij lopende voorstellingen riepen bij de beschouwers associaties op met reizen, vooral als het landschappen of stadsgezichten betrof. Het bezoeken van zo’n “cyclorama,” zoals het bewegend panorama in die tijd vaak heette, werd in kranten aangeprezen als een serieus alternatief voor het maken van een reis.
Reizen was in het midden van de negentiende eeuw immers nog zeer kostbaar, tijdrovend en oncomfortabel. Derhalve schreef een journalist van de Rotterdamsche Courant in augustus 1852: “Het reizen is thans zeer in zwang, doch hoe groot het aantal reizigers is, het getal van hen die thuis moeten blijven is nog veel grooter, hetzij omdat hunne zaken niet toelaten van huis te gaan, hetzij omdat zij geen geld hebben om aan hunnen reislust te voldoen. De kermis biedt hun thans verschillende gelegenheden tot reizen aan, waarbij genoemde bezwaren vervallen want zij kosten maar weinig tijd en geld.”
Soort behang Op de Rotterdamse kermis van 1853 was bijvoorbeeld het “Reuzen Cyclorama” van Reichardt te bewonderen. Dit door Berlijnse decorbouwers vervaardigd doek stelde “eene romaneske reis door Tyrol, Zwitserland en Italië” voor, aldus de Rotterdamsche Courant. Het tableau, dat op een 30.000 kwadraat voet doek geschilderd was (zeker anderhalve kilometer lang), was te bezoeken in een “ruim lokaal” op het Nieuwe Plein bij de Schiebrug. Toeschouwers maakten, begeleid door een “bevallig” spelende pianist, een tocht van 800 kilometer langs Salzburg, Innsbruck, Lausanne, Genève, de Mont Blanc, het Comomeer, Milaan, Florence, Rome en Napels. “men nadert den vuurspuwenden berg bij Napels, men beklimt den berg Mont-Blanc, St. Bernard enz., zonder gevaar en moeite, op zijn gemak zittende […]," schreef de Rotterdamsche Courant op 17 augustus. De Nieuwe Rotterdamsche Courant was op 2 september 1853 van mening dat dit cyclorama “den bezoeker tot zeker hoogte het genot deelachtig [maakt], hetwelk de reiziger slechts door groote opofferingen en ontberingen en gevaren van allerlei aard zich kan verschaffen.” Omdat de toeloop zo groot was, werd de voorstelling na de kermis een aantal dagen voortgezet in Rotterdam, dit keer in een lokaal van de sociëteit Concordia. In het Amsterdamse Rijksmuseum zijn na restauratie en archiefonderzoek in 2020 een aantal kolossale op papier geschilderde fragmenten van dit Cyclorama Reichardt geïdentificeerd. De fragmenten, waarvan de grootste 23 meter lang is, waren al veel langer in het bezit van het museum, zonder dat bekend was wat ze voorstelden of wat de functie was. Men nam aan dat het om een soort behang handelde.
“Schoonste en vlugtigste reis” Nog groter dan het Cyclorama Reichardt was “Lewis’ Cyclorama,” een Amerikaans bewegend panorama dat een jaar eerder de Rotterdamse kermis aandeed. Het had een afmeting van 45.000 vierkante voeten en zal meer dan twee kilometer lang zijn geweest. Deze attractie, die net als die van Reichardt als het ware een voorloper was van de speelfilm, bood de toeschouwer een reis van duizend mijl in één uur tijd langs de beide oevers van de Mississippi. De Rotterdamsche Courant schreef erover: “den beschouwer [voert] als het ware in eene Amerikaansche stoomboot, langs de boorden dezer wereldberoemde rivier.” Het ontstaan van dit panorama werd op 14 augustus 1852 besproken in de Nieuwe Rotterdamsche Courant: “De heer Lewis liet een vaartuig bouwen bij den waterval van St. Antonie, en van daar afzakkende naar St. Louis, […] besteedde hij een paar zomers om de heerlijke gezigten aan de boorden dier prachtige rivier te schetsen en bragt ze met hulp van anderen in ’t schilderij.” Lewis’ cyclorama was “zeker eene der schoonste en vlugtigste reizen die men in zijn leven doen kan,” aldus de krant, “Men vindt er eene afwisseling van pittoreske gezigten, heerlijke steden, verschrikkelijke rotsen, bosschen, wouden, voortreffelijke gezichtspunten […].” Ook bij deze voorstelling voorzag een spreker de beelden van uitleg. Rotterdammers die, enthousiast geworden door de beschrijvingen in de krant, het cyclorama wilden bezoeken, moesten zich begeven naar een groot lokaal dat was opgesteld op het Nieuwe Plein bij de Schiebrug. Dagelijks waren er twee voorstellingen. Entreeprijzen voor bewegende panorama’s lagen rond één gulden voor de eerste, 50 cent voor de tweede en een kwartje voor de derde rang. Dat was niets vergeleken met de kosten van een echte reis, maar toch een behoorlijke uitgave.


Pamflet waarin de voorstelling van het bewegende panorama van Reichardt wordt aangekondigd (in Haarlem), 1853. Vervaardigers: gebr. J. en H. van Langenhuysen. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.
Affiche voor een geschilderd panorama in de Amsterdamse plantage, 1895-1912. Vervaardiger: Bernard Willem Wierink. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.
