Net Echt
Door Anna Horsthuis
De kermisvermaken die onder de categorie "net echt" vallen, zijn voor een groot deel óók leerzaam te noemen. Het handelde bij veel van deze attracties om het verbeelden van historische of meer recente gebeurtenissen, personen en plaatsen. Toch passen ze in een aparte afdeling omdat ze voldeden aan de steeds grotere behoefte van het negentiende-eeuwse publiek aan echtheid, aan attracties die een illusie van werkelijkheid gaven of die nabootsten; kortom, net echt waren. Niet voor niets zijn fotografie en film in de negentiende eeuw uitgevonden.
Automatons
Op de kermis kwam dat verlangen naar echtheid bijvoorbeeld tot uiting in de populariteit van "automatons" of "automaten." Dit zijn uit zichzelf bewegende maar niet elektrische machines, veelal met het uiterlijk van een mens of dier, die de handelingen van mens of dier kunnen nabootsen. Automatons werken met behulp van verfijnde uurwerktechnologie. Daarmee is het mogelijk de machines, na ze te hebben opgewonden, een reeks van tevoren geprogrammeerde handelingen te laten uitvoeren.
De techniek waarop automatons zijn gebaseerd is heel oud. Al in de Middeleeuwen verschenen in steden enorme mechanische uurwerken waarin klokken werden gecombineerd met allerlei figuren die op gezette tijden in beweging kwamen. Bijvoorbeeld mannetjes die met een hamer op de klok sloegen, mens- en dierfiguurtjes die in het rond draaiden of kraaiende, met hun vleugels klappende hanen. In later eeuwen nam de uurwerktechniek een vlucht en werden uurwerken steeds kleiner, verfijnder en preciezer. Automatons liftten me met dat proces en werden eveneens almaar ingewikkelder. Ze konden steeds geraffineerdere bewegingen nabootsen en zelfs natuurlijke geluiden maken.

Bewegende figuurtjes op de Zytglogge in Bern, 12de en 13de eeuw. Wikimedia Commoms.

Franse automaton. Wikimedia Commons.
Elegant handschrift
Vader en zoon Pierre en Henri Jaquet Droz waren Zwitserse klokkenmakers die in de tweede helft van de achttiende eeuw beroemdheid verwierven met hun automatons. De “schrijvende jongen” van vader en zoon Jaquet Droz bestond uit 6000 onderdelen, zoals nokken en tandwielen, die in het lijfje van de machine waren verborgen. Nadat je de achter een lessenaar gezeten pop, net als een klok, hebt opgewonden, kan de jongen schrijven, met pen en inkt en in een elegant handschrift. Bovendien is hij te programmeren, zodat je hem elke willekeurige korte tekst kunt laten schrijven. “De tekenaar” is een andere beroemde automaton van Jaquet Droz. De jongen kan met een potlood vier verschillende tekeningen maken, waaronder een hond en een portret van Lodewijk XV. Een derde automaat is “de musicienne.” Zij speelt echt; haar vingers drukken op de toetsen van een orgeltje en na elk van haar vijf liedjes maakt ze een buiginkje. Deze drie poppenautomaten zijn vandaag de dag nog steeds te bezichtigen in het Musée d’Art et d’Histoire van Neuchâtel, Zwitserland.
Dit soort machines waren, niet verbazend, peperduur en dienden in de achttiende eeuw vooral als speeltjes van de aristocratie en de heersende klassen. Vader en zoon Jaquet Droz wisten met hun drie automatons onder andere de Franse koning Lodewijk XVI en diens vrouw Marie Antoinette kostelijk te amuseren. In de negentiende eeuw daarentegen werden automatons geleidelijk minder exclusief. Productietechnieken ontwikkelden zich, waardoor het minder moeilijk en duur werd om de automaten te bouwen. En er kwamen meer bouwers, vooral rond 1860 in Parijs. Lieden uit de hogere Parijse middenklasse kochten de apparaten als amusante speeltjes in hun salons. Maar ook het gewone publiek kreeg de “robots avant la lettre” steeds vaker onder ogen. En dat vooral op de kermis, het ideale decor voor bouwers en artiesten om hun vermakelijke, inventieve speeltjes aan een groot publiek te tonen.
Kleine Arlequin In Rotterdam stonden de heren Schirmer en Scholl, “Phisici,” al in 1803 op de kermis met “Theatralische, Optische en Mechanicque Konstwerken en Vertooningen.” In hun tent bij de Binnewegsche poort waren “Automaten en Figuren” te bewonderen, “die met een wonderlijke nauwkeurigheid Muziek-Instrumenten Speelen en andere Menselijke werken verrigten,” aldus een annonce van 27 augustus in de Rotterdamsche courant. Amsterdammer A. Opré was in augustus 1819 met zijn kabinet op de Nieuwe Markt te vinden. Hij vertoonde “Mechanische Kunststukken, die nimmer hier ter stede gezien zijn, waar onder […] een Mechanische Paauw, die alle mogelijke bewegingen als een levende Vogel verrigt.” Ook was in zijn tent een “Mechanische Koffer” te bewonderen, “in welke een kleine Arlequin [harlekijn], die zich op den rand daarvan plaatst, en alle eigenschappen in zich vereenigt, die immer in groote Automaten bewonderd zijn.” De belangstelling was kennelijk groot, want Opré kwam ook buiten kermistijd naar Rotterdam. Zoals in mei 1829, toen hij in de bovenzaal van het Nederlandsch Koffiehuis op de Delftschevaart zijn door hem recentelijk vervaardigde automatons toonde: “wier bewegingen zoo natuurlijk zijn, dat het niet wel mogelijk is de begoocheling tot een hooger trap van volmaaktheid te brengen […].”
Eerder is al gebleken dat ook goochelaars op de negentiende-eeuwse kermis gebruik maakten van automatons. Ze bouwden de machines zelf (niet voor niets werd een goochelaar ook wel “mechanicus” genoemd) of gebruikten ze in hun voorstellingen. Dat laatste was het geval in 1848 toen de goochelaars K. Maju en Tobias Bamberg tijdens een voorstelling in hun Schouwburgtent op de Nieuwe Markt “Kunstwerkende Automaten Koorddansers” toonden die “door Mechaniek, maar geenzins door Touwen of Koorden [worden] bewerkt.”

De schrijvende jongen, de musicienne en de tekenaar. Automatons van Jaquet Droz in het Musée d'Art et d'Histoire in Neuchatêl.

Binnenkant van de schrijvende jongen, automaton van Jaquet Droz in het Musée d'Art et d'Histoire in Neuchâtel.


De schrijver en de tekenaar aan het werk. Automatons van Jaquet Droz, Musée d'Art et d'Histoire, Neuchatêl.
Wereldberoemde exemplaren In de jaren twintig en dertig van de negentiende eeuw kwamen automaton-liefhebbers op de Rotterdamse kermis ruimschoots aan hun trekken; er waren in die jaren een aantal wereldberoemde exemplaren te bezichtigen. Zoals daar was de indertijd befaamde “Automaat-Trompetter van Maelzel.” Een Amsterdamse kermisondernemer genaamd G.S. van Vliet beweerde in de Rotterdamsche Courant van 14 augustus 1821 eigenaar te zijn geworden van de beroemde trompetspeler. “De tentoonstelling is op de Groote Markt,” kondigde Van Vliet aan in de krant, “alwaar de vlag met de woorden Automaat-trompetter voorhangt.” Johann Nepomuk Maelzel (1772-1838), hof-mechanicus aan het Weense hof, had met zijn muziek spelende automatons vermaardheid verworven in heel Europa. Zelfs Ludwig van Beethoven bewonderde Maelzel en componeerde een muziekstuk voor een van zijn machines. Maelzels Automaat-Trompetter was levensgroot, maakte natuurlijke bewegingen en speelde echt: hij blies lucht door de trompet, bezat een tong-mechanisme en drukte de knoppen in met zijn vingers. Zijn repertoire bestond uit militaire melodieën en “Kavalerie-Manœuvres“ als “Signal tot Attaque” en “Attaque-Appel.” Volgens eigenaar Van Vliet speelde hij beter dan een levend persoon: “het 9de regiment Curassiers,” aldus Van Vliet in de Rotterdamsche Courant, “in garnizoen te Haarlem […] hebben gezegd: Nimmer beter Trompet te hebben gehoord, en ook niet zoo goed als mijne automaat te kunnen blazen en hebben hem genoemd: Automaat-Premier-Trompet.”
Aan het einde van de advertentie drukte Van Vliet de lezer op het hart “dat alle mijne automaten niet door een tweeden man, die verborgen zit, maar door zuiver Mechaniek in werking worden gebragt.” Daarmee verwees hij waarschijnlijk naar de “Turkse Schaakspeler,” een automaton van de Duitse bouwer Wolfgang van Kempelen die aan het einde van de achttiende eeuw furore maakte omdat hij menige menselijke tegenstander wist te verslaan. Even leek het erop, dat de uurwerk-technologie in automatons zelfs het menselijk brein kon imiteren. De schaakspeler bleek echter gebaseerd op bedrog: in de “tafel” waarachter hij zat was ruimte voor een mens die de hand van de schaakspeler kon aansturen.
In de kermisjaren 1836 en 1837 konden Rotterdammers warempel met eigen ogen de drie beroemde automaten van Jaquet Droz gaan bekijken. “Den Teekenaar, de Toonkunstenares en Den Schrijver” waren opgesteld in het “Kabinet d’Illusions” van F. Martin & Comp., dat in 1836 op de Grootemarkt stond. De advertentie sprak van “buitengewone Kunstbeelden, voortbrengselen van genie en geduld der grootste Werktuigkundigen […].” Wie een door de automaton vervaardigd tekeningetje wilde aanschaffen, kon zich wenden tot kunsthandelaar van Oosterzee op de Hoogstraat. Deze “heeft zich wel willen belasten met het debiteren der Teekeningen,” aldus de advertentie in de Rotterdamsche courant van 16 augustus 1836.

Tekeningetje van de Tekenaar, automaton van Jaquet Droz, voorstellende koning Lodewijk XV van Frankrijk. Wikimedia Commons.

Turkse schaakspeler van Von Kempelen.
Beweegbare wassenbeelden
Nog hoger op de schaal van levensechtheid stonden de beweegbare wassenbeelden die rond het midden van de negentiende eeuw op de kermis te zien waren. Deze attractie combineerde het wassenbeeld, dat een paar eeuwen eerder was uitgevonden, met de uurwerktechniek van de automaton. Anders dan de veelal kleine automatons, waren wassenbeelden levensgroot en ook bedrieglijk levensecht. Ze beeldden vaak echte, historische of nog in leven zijnde personen uit, of bijbelse figuren. In het kermisjaar 1835 stonden George en Ferchon uit Parijs met een "Verzameling van levensgrote Figuren" op de Nieuwemarkt. De opstelling was, aldus een advertentie in de Rotterdamsche Courant, "zamengesteld uit Groepen, verscheidene merkwaardige Tijdvakken voorstellende." "Het gelaat dezer Figuren en het bewonderenswaardige Mechanismus van deze Automaten verwekt de verbazing van elke aanschouwer," schreven de eigenaars.
Dat dit soort beelden daadwerkelijk indruk maakte, is te lezen in een verslag dat de Nieuwe Rotterdamsche Courant op 14 augustus 1851 schreef over het Parijse kabinet van George Tierz: "Het was voor de kunst niet genoeg, dat men in was de volkomen gelijkenis der voorgestelde personen, ja zelfs de kenmerkende trekken der verschillende hartstogten op het gelaat kan terug geven [...] men gaf door mechaniek ook bewegingen aan deze schoone beelden, in overeenstemming met hunne houding of karakter, en waarlijk de aanschouwer staat een oogenblik in twijfel of hier soms oogenbedrog in het spel is, welke twijfel alleen voor bewondering plaats maakt."
Ooggetuigen
De beweegbare groepen wassenbeelden in het "schitterend kabinet" van de Fransman P. Martin, die in augustus 1837 op het Rotterdamse Nieuwe Plein stond, maakten de bezoekers als het ware tot ooggetuigen van recente, historische en bijbelse gebeurtenissen. Te zien was onder andere, "De onthoofding van den heiligen Johannes den Dooper." "Dit tafereel brengt ons deze gebeurtenis levendig voor den geest," aldus de aankondiging in de Rotterdamsche Courant. "Men ziet duidelijk het bewegen van mond en oogen, en de pijnlijke stervende trekken zijn op het gelaat geprent. De Cipier geeft zijn afgrijzen over dit treurig bedrijf door gebaarden (gebaren) te kennen." Eveneens kon de bezoeker oog in oog staan met "De thans regerende Koninklijke familie van Frankrijk, omringd door Staatsdames, Ministers, Maarschalken, Generaals, enz." Een wassen keizer Napoleon "in het Bivouac op den 1december 1805," aan de vooravond van de "bataille bij Austerlitz" liep je er ook tegen het lijf, "zijn getrouwe Mameluk aan zijne rechterhand," bevelen uitdelend aan zijn maarschalken. De edelmoedige keizer bood, aldus de beschrijving van het tafereel, een voor hem knielende zoetelaarser (een vrouw die goederen aan legerpersoneel verkocht) wier man was gesneuveld, uit zijn privébeurs een jaargeld aan van 1000 frank.
De makers van de verbazend echt lijkende en ook nog bewegende wassenbeelden konden de emoties van het publiek sturen en hun visie op gebeurtenissen laten prevaleren. Dat gold ook voor de opstelling "De mislukte onderneming voor Constantine." Deze verbeeldde een uit 1836 daterende en dus zeer recente veldslag, die de Fransen van de Turken hadden verloren. "Met ziet hier Constantine liggen en de retraite der Fransche Armee plaats hebben; opmerkenswaardig is een stervend Kanonnier, die gewond ligt te zieltogen." Deze opstelling laat zich vergelijken met beeldreportages van oorlogen die we tegenwoordig via het televisiejournaal of via internet te zien krijgen.

Wassenbeelden op de kermis. Blad met 12 voorstellingen van de Amsterdamse kermis, 1814-1820, Rijksmuseum.
Tableaus Net als het geval was bij de wassenbeelden, bestonden automaton-opstellingen dikwijls niet alleen uit een enkel beeld of een groepje beelden, maar waren er ook complete tableaus of taferelen te bewonderen. De eerder genoemde bouwer van automatons A. Opré bijvoorbeeld, toonde op de Rotterdamse kermis van 1819 een “Italiaansche Banketbakkers-Winkel,” ongetwijfeld met verschillende bewegende onderdelen. Het kabinet van P. Martin, bood, naast automatons en beweegbare wassenbeelden, “Eene Prachtige Tableau, in Basrelief, voorstellende de Haven van Calais, met de Stoomboot voor Douvres en andere Vaartuigen.” De advertentie maakt ook duidelijk, waar zulke taferelen uit bestonden “Het is hier dat de Mechaniek, Schildering en Beeldhouwkunde elkander den prijs der volmaaktheid betwisten.” Het betrof vaak landschappen in perspectief waar doorheen zich figuren bewogen die – onzichtbaar - waren vastgezet op drijfriemen of wieltjes. Een systeem van raderen en stangen zorgde ervoor dat de figuren zich niet alleen verplaatsen, maar ook zelf bewogen. Andere door Martin vertoonde tableaus waren de eilanden Elba en Sint Helena - Napoleons verbanningsoorden - “beide met beweegbare Zee en Schepen.” Dit soort schouwspelen stelden de kermisganger in staat voor een gering bedrag van verre landschappen en uitheemse taferelen te genieten.
Ook het “Théâtre Maritime Mecanique” ofwel het zeetoneel van de gebroeders Ouvrier, voerde de toeschouwer naar bijzondere plekken. In hun “loge”aan de Delftsche Poort kon de Rotterdammer zich toeschouwer wanen van bijvoorbeeld een storm op zee, het verbrijzelen van schepen tegen rotsen of de jacht op de witte beer in de IJszee. “Deze vertooningen […] bieden den minnaren van Schilderkunst en Mécanique een volkomen geacheveerden arbeid en een geheele illusie van het perspectief aan,” schreef de Belgische krant De Grondwet naar aanleiding van een voorstelling van de gebroeders Ouvrier in Rosendaal.
Bombardement van Sebastopol Andere kermisexploitanten gebruikten mechanische schouwspelen om recente berichten over bijvoorbeeld zee- en veldslagen aanschouwelijk te maken. Op die manier bevredigden ze de behoefte van het publiek aan beelden bij het zich – dankzij de uitvinding van de telegraaf - steeds sneller verspreidende wereldnieuws. In het midden van de negentiende eeuw stond de Krimoorlog (1853-1856) tussen enerzijds Rusland en anderzijds Frankrijk, Groot Brittannië en het Ottomaanse rijk in het centrum van de aandacht. Op de Rotterdamse kermis van 1856 waren, aldus een overzicht van “tenten en spellen” in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van augustus 1856, maar liefst twee tableaus te bezoeken die het nieuws over de oorlog voor de Rotterdammers tot leven brachten. De heer Hautot gaf met zijn “Theatre Mecanique,” bestaande uit 10.000 mechanische stukken, het bombardement van Sebastopol en de bestorming van de Malakoftoren een gezicht. Met die voorvallen wisten de geallieerden de oorlog in hun voordeel beslechten. Ze stonden ook centraal in het “Grand Théatre Mécanique van den Oorlog in het Oosten” van de heren Philippe & Van den Bussche, opgesteld op de Nieuwe Markt. Dit mechanisch schouwspel vertoonde bovendien “eene menigte andere interessante Gebeurtenissen bij den Oosterschen Oorlog voorgevallen, alles in beweging gebragt door het uitmuntendste Mechanismus, waarin meer dan 3000 Beweegbare Stukken […].”

Slag bij Malachov, onderdeel van het beleg van Sebastopol tijdens de Krimoorlog, 1855. Vervaardiger: Jules Worms. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Opengewerkte automaton.
Wordt vervolgd: Net Echt 2
