Henri Martin

Les Lions de Mysore

           Of het wonderbaarlijke leven van Pierre-Henri Martin, eerste directeur van de Rotterdamse Diergaarde

Hoofdstukken

  • Rozen
  • Circusartiest
  • Dierentemmer
  • Sterrendom
  • The talk of the town
  • Atyr en Coburg
  • Geduld
  • Ontsnapt
  • Beroemdheden
  • Geruchten
  • Directeur 

Inleiding

 

Pierre-Henri Martin (Marseille, 10 januari 1793 - Rotterdam, 7 april 1882), werd in 1857 aangesteld als de eerste directeur van de Rotterdamse Diergaarde, voorloper van Diergaarde Blijdorp.  De 64-jarige, kersverse directeur had een fantastisch leven achter de rug: begonnen als eenvoudige circusjongen, wist hij binnen een paar decennia op te klimmen tot een ster aan het Parijse firmament.

Hieronder het verhaal over zijn avontuurlijke leven, met name de eerste helft ervan, vóórdat hij zich in 1838 in het lommerrijke villadorp Kralingen, onder de rook van Rotterdam, vestigde. Aldaar was hij trouwens enorm geliefd bij zijn buurtgenoten....

Door Anna Horsthuis

Rozen

De bewoners van Kralingen verdrongen zich om de Fransman bij hen thuis te inviteren, of om bij hem thuis te worden uitgenodigd. Ook hadden de heren uit dat dorp al snel door dat Martin zich graag op sleeptouw liet nemen voor een jacht- of vispartij in de omgeving. Misschien dankte Pierre-Henri dit aanzien aan de prachtige rozentuin die hij rondom zijn huis, gelegen op de hoek van de ’s-Gravenweg en de Essenlaan, had aangelegd.  Buren keken hun ogen uit naar de fraaie, zoetgeurende en zeldzame, uit Frankrijk geïmporteerde rozen die de Fransman kweekte. Martin won er zelfs prijzen mee en wist met die fraaie bloemen bovendien zijn tweede echtgenote voor zich te winnen.   

 

Het was vanwege zijn eerste echtgenote dat hij zich in 1838 in de nabijheid van Rotterdam vestigde. Zelf wilde Henri Martin zich na de verkoop van zijn reizende menagerie terugtrekken in zijn vaderland. Hij had daartoe al een huis in de Zuidfranse stad Marseille gekocht. Maar zijn vrouw Gertrude van Aken, telg uit een beroemde Rotterdamse familie van menageriehouders, kon maar moeilijk afscheid nemen van haar familie. Daarom besloot Martin zich - voorlopig - in Kralingen te vestigen. Maar na twee jaar had Gertrude nóg minder zin om haar familie in de steek te laten, zodat Martin in arren moede besloot het huis in Marseille te verkopen. Toen Gertrude in 1848 stierf, was Martin onderhand zó ingeburgerd, dat het idee om terug te keren naar Zuid-Frankrijk nauwelijks meer in hem op kwam.  Hij kende daar niemand meer en zijn moeder was inmiddels op 100-jarige leeftijd in Algerije gestorven. In Kralingen had hij daarentegen inmiddels heel wat vrienden gemaakt onder de rijke Rotterdamse notabelen en kooplieden en hun dames, waarbij die laatsten  gecharmeerd waren van de prachtige bossen rozen die de Fransman hen bij het afscheid meegaf.

Portret van een jonge Henri Martin. Toegeschreven aan Jan-Willem Pieneman (1779-1853). 

Éen dame, Francina Louisa Schot genaamd, kwam heel regelmatig bij hem over de vloer. Martin had deze getalenteerde schilderes van bloemenstillevens leren kennen in het huis van een bevriende botanicus en haar toestemming verleend om zijn rozen te schetsen.  Er bloeide genegenheid op tussen de weduwnaar en Francina en hij vroeg haar – waarschijnlijk om er zeker van te zijn dat ze terug zou keren - of ze tekenles wilde geven aan een doofstom nichtje dat bij hem inwoonde (Martin had zijn eerste vrouw beloofd voor het kind te zorgen).  Uiteindelijk kwam het in 1850 tot een trouwerij tussen de 57-jarige Martin en de 34-jarige Francina Louisa. Kort daarop kwamen uit dit bloemenrijke huwelijk twee dochters voort: Marie-Henriëtte werd in 1851 geboren en Adriënne in 1852.

Landelijk Kralingen: Rotterdam gezien vanuit Kralingen, ca. 1820. Vervaardiger: D. (D.) Moens. Collectie Stadsarchief Rotterdam

Circusartiest

Toch waren zijn rozen niet de echte reden voor Henri Martins’ populariteit. Eigenlijk vormden de bloemen voor veel Kralingers waarschijnlijk slechts een aanleiding. “Monsieur Martin, vos roses sont formidables aujourd’hui!,” of iets van die strekking, diende slechts als aanzetje tot een gesprek met de Fransman. De dorpsbewoners waren zich er van bewust dat er met hem een kleurrijke figuur in hun midden was geland. Martin was tenslotte, als artiest en beroemdheid, een ware paradijsvogel aan wiens enerverende bestaan zij, de deftige kooplieden en aanzienlijke burgers, die met hun koetsjes dagelijks plichtsgetrouw naar hun kantoren in de stad reden, nauwelijks konden tippen. Ze brandden dan ook van verlangen om hem uit te horen.

Het paardenspel, kinderprent 1865-1875. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Hoewel niet geboren in een circus, vertoonde Pierre-Henri al jong een rusteloze en vrijheidslievende aard. Zijn ouders, die een noodlijdend pastafabriekje in Marseille bezaten, kregen maar moeilijk vat op de jongen. Vader Martin stuurde zijn zoon ten einde raad naar een oom in het Italiaanse Livorno, maar ook daar ontvluchtte Pierre-Henri regelmatig de schoolbanken. Veel aantrekkelijker vond de tienjarige het om rond te hangen bij een Frans circus dat met zijn tenten was neergestreken in de stad. Hij knoopte gesprekjes aan met de acrobaten en hielp met de verzorging van de paarden. De jonge vrijbuiter raakte zelfs zó in de ban van het kleurige en ongebonden circusleven, dat hij de stoute schoenen aantrok en aan de directeur vroeg of hij zich bij de troep mocht aansluiten. Aangezien zijn ouders toch al beseften dat hun rusteloze zoon zich niet zou laten vangen voor het familiebedrijf, gaven ze hem toestemming om in de leer te gaan bij circus Guillaume. Een beroepskeuze die niet geheel fatsoenlijk was, maar, zo redeneerden zijn ouders, het harde circusbestaan zou de bengel wel in het gareel brengen. 

Inderdaad, Henri moest keihard werken; voor rondlummelen was geen tijd meer, maar hij had het ook enorm naar zijn zin bij circus Guillaume. De directeur ontdekte dat de lenige, vlugge en sterke Pierre-Henri een natuurtalent was die geen angst kende en vol was van jeugdige overmoed en wilskracht. Na twee jaar training als acrobaat en kunstrijder vond in de stad Florence zijn eerste optreden plaats. Zijn debuut bestond uit enkele oefeningen in rijkunst en voltige. Dat laatste is een vorm van acrobatiek te paard waarbij de voltigeur op de rug van een galopperend paard springt en  daar een aantal gymnastische toeren verricht.  Niet alleen verdiende Pierre-Henri hiermee zijn eerste geld, hij merkte ook hoe hij genoot van het publiek, het applaus en de toejuichingen. Zijn ster rees snel in het circus; binnen een paar jaar hoorde hij tot de “premiers sujets,” of wel de vedettes van circus Guillaume. Dat lag niet alleen aan zijn lenig lijf, maar ook aan zijn stralende aanwezigheid: de niet onknappe jonge Pierre-Henri beschikte over een groot theatraal talent.

Na jaren van gedwongen verblijf in Italië vanwege de Napoleontische oorlogen, trok circus Guillaume in 1815 naar Duitsland. Ook daar oogstte kunstrijder Martin, de ster van het gezelschap, grote bewondering. Hij wist als eerste in Europa zijn acrobatische acts op een paard in galop en zónder zadel uit te voeren. Diverse directeuren van circussen deden hem aanbiedingen en uiteindelijk stapte hij, na een meningsverschil met Guillaume, rond 1816 over naar het “Cirque Olympique” van Blondin. Ook daar werd de begaafde 23-jarige kunstrijder met zijn aantrekkelijke verschijning de publiekslieveling. 

Na een jaar in dienst te zijn geweest bij Blondins circus bedacht de rusteloze Martin dat hij, als ster van de show, best een eigen circus kon beginnen. Van zijn spaargeld kocht hij paarden en een tent en trok hij erop uit, samen met twee gelijkgestemde compagnons. Voor circusdirecteur echter bleek Pierre Henri minder aanleg te hebben, want al na een half jaar raakte zijn circus in de schulden. De nekslag voor zijn onderneming vond plaats in het jaar 1819, tijdens de Rotterdamse kermis. Aldaar moest hij de hevige concurrentie verduren van zijn oude werkgever Blondin. Deze had voor zijn Cirque Olympique de beroemde en talentvolle Engelse kunstrijder André Ducrow geëngageerd, die op dat moment eveneens immens populair was. Het publiek dromde massaal toe om Ducrows fameuze “plastische poses” te aanschouwen, waarbij de artiest op een galopperend paard balanceerde terwijl hij, in kostuum, bekende houdingen aannam, van bijvoorbeeld romanfiguren of beelden uit de klassieke oudheid. Martins paardenspel trok ondertussen nauwelijks publiek. Daarop besloot hij het bijltje erbij neer te leggen en weer als kunstrijder in dienst te treden bij Blondin. Die bood de afvallige ruimhartig een goed salaris, dat Pierre-Henri goed kon gebruiken daar hij inmiddels getrouwd was met Gertrude en op het punt stond vader te worden.

 

Door het vele verpozen tussen de exotische dieren van zijn schoonfamilie Van Aken ontdekte Pierre-Henri bovendien zijn ware roeping: meer nog dan bij het kunstrijden en de voltige, lag zijn passie en talent bij het temmen van dieren! Hij besloot zijn carrière een wending te geven en zich toe te leggen op het vak van dompteur. Hij nam daartoe in 1821 de leiding over van de menagerie van zijn zwager Herman van Aken en legde zich erop toe de roofdieren in deze verzameling, zoals de leeuwen, de hyena’s en de tijger, een voor een te temmen. In de jaren die volgden, trokken hij en Gertrude met hun menagerie door Duitsland en Frankrijk en gaf Pierre-Henri voorstellingen in dierendressuur. 

Wilde dieren menagerie, 1870. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Andrew Ducrow in Astley's Amphitheatre, 1834.

Interieur van een tent van het paardenspel op de kermis. Collectie Stadsarchief Amsterdam. 

Acrobatiek op de rug van een paard, ca. 1800-1850. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Dierentemmer

Reizende kermisklanten en circusartiesten werden in deftige kringen als enigszins dubieus en niet geheel respectabel gezien. Dat bleek wel toen Martin een Rotterdamse jongeman van een rijke en voorname familie, die droomde van een carrière als kunstrijder, als kostleerling in zijn eigen circus had willen opnemen. De familie nam zó’n aanstoot aan de keuze van de jongen en aan het idee dat de erfgenaam van hun naam en fortuin publiekelijk door een hoepel zou springen, dat de ongelukkige zijn droom maar opgaf. Had Martins eigen carrière die van eenvoudig rondtrekkend artiest niet overstegen, dan zouden zijn Kralingse buren hem niet zo hoog hebben geacht.

Maar Martin was van een ander kaliber. Als temmer bleek hij een natuurtalent en vergaarde hij grote roem. In elke stad die de Martins met hun reizende menagerie aandeden, dromden de mensen toe. Zij kwamen niet alleen af op de dierenverzameling, maar wilden zich vooral vergapen aan de dompteurskunsten van de temmer. Het publiek beefde, trilde en slaakte kreten van angst bij het zien van woeste leeuwen, de “wreedaardige” tijger en de hyena’s met hun enorme muilen vol vlijmscherpe tanden. 

Mr. Martin als dompteur, verschillende afbeeldingen. Collectie Stadsarchief Amsterdam

Als Martin tijdens zijn voorstellingen van deze vervaarlijk brullende woestelingen aanhankelijke schoothonden wist te maken, die zich tegen hem aan vlijden en uit zijn hand aten, kende de bewondering van het publiek geen grenzen. Plaatselijke schrijvers en dichters staken de loftrompet over de dompteur. Zo schreef de dichter Reboul uit Nîmes in 1834: “Enfant de l’homme, quel génie/ T’inspira cette oeuvre hardie? /Dis-nous intrépide Martin/ Par quels soins et quelles fatigues/ Ces terribles enfants prodiges/ Sont revenus baiser ta main? «  (Mensenkind, welk genie/heeft je tot dit gewaagde werk geïnspireerd?/Vertel ons, onverschrokken Martin/Middels welke zorg en welke moeite/Zijn deze verschrikkelijke verloren zonen/Teruggekeerd om je hand te kussen?).  En in het Journal de Verviers uit 1836 plaatste een dichter het volgende: “Honneur et gloire à toi, ô rare et robuste homme/ Que partout on admire et que Martin on nomme.” (Eer en glorie aan jou, o zeldzaam en robuust man/Die we overal bewonderen en die Martin wordt genoemd).

 

Een van Pierre-Henri’s beroemdste bewonderaars was de Franse schrijver Honoré de Balzac. Toen Martin in 1830 met zijn menagerie in Parijs stond, was de schrijver een regelmatige en enthousiaste bezoeker van de temmer en zijn roofdieren. De Balzac was zelfs zó in de ban, dat hij naar aanleiding van zijn bezoek een verhaal schreef, genaamd “Une Passion dans le Désert,” dat op 24 december 1830 in de “Revue de Paris” verscheen. In deze raamvertelling brengt de verteller samen met een vriendin een bezoek aan de menagerie van Henri Martin. De vriendin is onder de indruk van de voorstelling en vraagt zich af hoe monsieur Martin zijn dieren zó weet te temmen dat hij zeker kan zijn van hun affectie. De verteller verhaalt daarop het relaas van een oude soldaat die hij een dag eerder in de menagerie van Martin had ontmoet: tijdens Napoleons veldtocht in Egypte was deze soldaat verdwaald geraakt in de woestijn. 

Uiteindelijk vond hij een schuilplaats in een grot waar hij tot zijn schrik een luipaard aantrof. Het vrouwelijke dier bleek hem goedgezind, hij wist het te temmen en er ontstond zowaar een soort liefdesrelatie tussen de soldaat en het mooie dier. Helaas, door een misverstand doodde de soldaat het luipaard, maar had direct spijt van zijn daad. 

Een drietal  decennia geleden, in het jaar 1997, dook dit op Henri Martin geïnspireerde verhaal opnieuw op in de vorm van een speelfilm getiteld “Passion in the Desert.” 

De adoratie die het vroeg negentiende-eeuwse publiek koesterde voor Martin en zijn optreden is goed te verklaren. Voor de meeste mensen in West-Europa waren roofdieren, zoals de leeuwen, de tijger, de luipaarden en hyena’s die Martins menagerie bevolkten, bijzondere, exotische, bijna mythische wezens. Men kende ze hoogstens van horen zeggen, want zelfs illustraties waren nauwelijks voorhanden.                                                                                                                                                                                                                                     Het bestuderen en in levende lijve kunnen aanschouwen van exotische dieren was lange tijd het voorrecht geweest van vorsten en andere hoog-adellijke figuren, die dankzij hun rijkdommen eigen dierenverzamelingen of menagerieën konden aanleggen. Toch drong de fascinatie voor exotische dieren tot steeds meer lagen van de bevolking door, en aan het einde van de achttiende eeuw verschenen de eerste eenvoudige reizende menagerieën. Vaak bestonden deze uit niet meer dan een paar dieren die op een marktplein of voor een herberg werden vertoond. De groeiende handelsstromen en zich uitbreidende koloniale rijken maakten evenwel de handel in exotische dieren steeds gemakkelijker, waardoor ook de reizende menagerieën een steeds uitgebreider aanbod aan dieren konden tonen. 

De populariteit van Martin lag echter nog méér aan het feit dat hij iets bracht dat sinds de Romeinen niet meer gezien was: het temmen en africhten van roofdieren. In het laat-Romeinse rijk (270-450 na Christus) kreeg het volk van Rome, dat uitgekeken was op die eeuwige gevechten met of tussen wilde dieren, voorstellingen voorgeschoteld waarin wilde beesten optraden die allerlei kunstjes en oefeningen hadden geleerd. De dresseur (mansuetarius in het Latijn) was een gewaardeerd functionaris in dienst van de keizerlijke familie.  Toen Henri Martin zo rond 1820 besloot de kooi van een roofdier binnen te stappen met als doel het te temmen, was hij de erfgenaam van deze antieke dresseurs en waarschijnlijk de eerste dompteur van de moderne geschiedenis. Een aantal jaar later, in 1827, experimenteerde ook Isaac van Amburg (1808-1865) in de Verenigde Staten met roofdierendressuur. (Natuurlijk trokken er voor deze twee al veel langer mensen met een enkel gedresseerd dier, zoals een aap of een beer, langs kermissen en jaarmarkten). De komst van dressuur bracht een verandering te weeg in het uiterlijk van de reizende menagerie: in plaats van een verzameling willekeurig opgestelde (rijdende) kooien, kwam er een centrale theater-kooi, met aan de weerszijden daarvan de in een rij opgestelde kooi-wagens. De roofdieren die zouden optreden waren beurtelings in de linker- of de rechterrij kooien verzameld. Het publiek, zittend of staand voor deze frontale opstelling, reageerde razend enthousiast en gefascineerd op dit nieuwe vermaak. 

Na Martin en Van Amburg verschenen er meer dompteurs aan het negentiende-eeuwse firmament. Ze werden als sterren aanbeden. Vanwege het gevaar dat ze liepen te midden van de roofdieren met hun grote muilen vol scherpe tanden, enorme klauwen en diep gebrul, en de reële mogelijkheid dat er bloed zou gaan vloeien, ervoeren toeschouwers tijdens de voorstelling een combinatie van afschuw en aantrekkingskracht. Er heerste onder het negentiende-eeuwse mensdom nog een collectieve angst voor de woestheid en ontembaarheid van de wilde natuur. Het feit dat de dompteur de roofdieren, deze “woeste, wrede en bloeddorstige bruten” (zoals de naturalist Georges-Louis Leclerc, Comte de Buffon in zijn indertijd nog alom gerespecteerde “Histoire Naturelle”(1749-1804) deze dieren karakteriseerde) als schoothondjes wist af te richten, werkte als een bezwering van de angst en was een geruststellende bevestiging van de superioriteit van de mens, die was gesteld boven alle andere levende wezens van de schepping.  Als het roofdier zijn meester kopjes gaf, of als de temmer zich tegen het dier aan vlijde, zagen sommige romantici daarin trouwens eveneens de terugkeer van een paradijselijke toestand waarin mens en dier nog in harmonie leefden.  

Honoré de Balzac, Une Passion dans le Désert, geïnspireerd op Martins menagerie.

Filmposter Passion in the Desert, 1997.

Aardewerken beeldje voorstellende Isaac Van Amburg (1811-1865). Collectie Attingham Park, Shrewsbury, Engeland.

Portret van Georges Louis Leclerc, graaf van Buffon, 1774. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Sterrendom

Martins faam als dompteur steeg naar nieuwe hoogten in het jaar 1831, toen hij in Parijs was en samen met zijn dieren de hoofdrol kreeg aangeboden in een “drame à grand spectacle,” een spektakelstuk, genaamd "Les Lyons de Mysore," ofwel De Leeuwen van Mysore. Het stuk had een “succès éclatant,” bracht hem het sterrendom en maakte een rijk man van de dierentemmer. Hij wist een gage van 200 francs per voorstelling (inclusief repetitiedagen) te bedingen, wat een enorm bedrag was in die dagen. Adolphe Franconi, van wie het aanbod kwam, was de telg uit een beroemde circusfamilie en eigenaar van het Cirque Olympique, (niet te verwarren met het Cirque Olympique van Blondin) een stenen circustheater aan de Boulevard du Temple. Dit theater bestond uit een grote piste voor het paardenspel. Aan één kant van de piste bevond zich tevens een toneel. Het publiek zat in een ruime halve cirkel en had zelfs van grote hoogte goed zicht op zowel piste als toneel. In dit circustheater vonden de in die jaren populaire militaire spektakelstukken plaats, “gloires militaires” genoemd, die de heroïsche daden van de Napoleontische legers memoreerden. Zo’n 700 à 800 figuranten brachten hele regimenten te paard tot leven. Cavaliers, artilleristen en voetsoldaten bewogen zich via hellingen van toneel naar piste en trokken tegen elkaar ten strijde. Het orkest bevond zich tussen de twee hellingen.

Mr. Martin als dompteur, verschillende afbeeldingen. Collectie Stadsarchief Amsterdam

Deze setting was ook zeer geschikt voor het spektakelstuk waarin Martin en zijn dieren de hoofdrol zouden spelen.  Het in India gesitueerde, romantische drama Les Lyons de Mysore, in drie bedrijven en zeven tonelen, was vooral een voorwendsel om Martin met zijn dressuurkunst en zijn dieren te presenteren. Het stuk werd, zoals gebruikelijk, voorafgegaan door een paardenspel in de piste. Daarna volgde het drama, dat zich zowel op toneel als in de piste afspeelde. Voor de veiligheid van de toeschouwers en de acteurs was op het toneel een kooi gebouwd van gaasachtige maar solide tralies die zo dun waren, dat het publiek er goed doorheen kon kijken. Acteurs speelden rond deze kooi, maar wekten op ingenieuze wijze de indruk erin door te dringen. Met deze voorstelling bracht Martin, die zelf wél in de kooi optrad, voor het eerst in de geschiedenis roofdieren in het circus.

Franconi's Cirque Olympique.

De dompteur speelde prins Sadhusing, een vorst die door de wrede sultan van Mysore, Hyder-Ali, van land en bezittingen beroofd was en zich in de jungle had teruggetrokken, waar hij te midden van de paria’s en wilde dieren leefde. Hij besluit in het stuk met hun hulp in opstand te komen en de troepen van  sultan Hyder-Ali aan te vallen, maar wordt helaas verslagen, gevangen genomen en veroordeeld. De boze sultan wil hem voor de leeuwen werpen. Een complicerende factor is echter Delhi, de mooie dochter van Sadhusin/Martin; Hyder-Ali is verliefd op haar en zij is bereid met hem te trouwen als hij haar vader spaart. Hyder-Ali belooft dit, maar alléén als prins Sadhusing de leeuw verslaat. Hyder-Ali is ervan overtuigd dat hij daartoe niet in staat is. Maar, tegen de verwachting in, weet Sadhusing alias Martin de leeuw te onderwerpen, waarop Hyder-Ali  hem vol bewondering zijn titel en bezittingen teruggeeft. Hyder-Ali ten slotte, hervindt in dit honingzoet spektakel zijn goede karakter, en wint de mooie Delhi voor zich.

Martin had geen tekst, zijn rol bestond puur uit mime. De verklaring die het stuk gaf voor Sadhusings zwijgzaamheid was, dat sultan Hyder-Ali hem zijn tong had afgesneden! Toch stootte de Indiase prins verbazend Provençaalse kreten uit, aldus de Franse pers! Pas in het derde toneel verschenen de roofdieren: het publiek ontwaarde een oerwoud met in de schaduw van een boom, slapend tegen een leeuwin, prins Sadhusing.

Een van de eerste daden van de held was het redden van zijn eigen kinderen uit de gevaarlijke wurggreep van twee boa constrictors. Even later verdedigden twee (door Martin) gedresseerde leeuwen de held tegen een bende schurken. Een andere scène, waarin de tijger samen met een kind verscheen, was eigenlijk niet naar de zin van de dompteur. Deze had liever gezien dat de tijger (in die scene gespeeld door een “uiterst zachtaardig jachtluipaard”) het kind in zijn bek naar Sadhusing zou brengen. Maar daar had de Parijse politiechef die toezag op de veiligheid van spelers en publiek, tot teleurstelling van Martin,  een stokje voor gestoken!

Mr. Martin als dompteur, verschillende afbeeldingen. Collectie Stadsarchief Amsterdam

 
 De grote tijgerjacht van sultan Hyder-Ali vormde een van de hoogtepunten van het spektakelstuk. In dit tweede bedrijf werden de vele bijzondere beesten uit Martins menagerie ten tonele gevoerd. Bijvoorbeeld tijger Atyr, die op de achtergrond over het toneel sloop in een goed gecamoufleerde ren, het jachtluipaard, dat de rol van tijger overnam in de achtervolgingsscenes en de over het toneel dartelende apen. Papegaaien vlogen van tak naar tak en een pelikaan achtervolgde de nar van de sultan (die als komisch element een grote rol speelde). Tot slot was er de indrukwekkende olifant waarop Hyder-Ali zijn entree maakte. Dat dit Indiase oerwoud ook door lama’s en kangoeroes werd bevolkt, was een eigenaardigheid waar het toenmalige publiek zich in het geheel niet aan stoorde! Het stuk eindigde met een triomftocht waarin Sadhusing/Martin met de overwonnen leeuw aan zijn voeten door Hyder-Ali’s soldaten in een vergulde kooi over het toneel en door de piste werd gedragen, gevolgd door officieren, lijfwachten en slaven en begeleid door fanfaremuziek.  

Getuige van Martins roem: waaier met afbeelding van Henri Martin en zijn roofdieren.

Les Lions de Mysore werd een doorslaand succes en de pers liet zich uit in superlatieven: “het toneel heeft afgedaan, Racine is verslagen,” schreef Le Journal des Débats enthousiast; “de Opera kan wel sluiten, want de leeuwen en de tijgers van mijnheer Martin hebben Parijs veroverd.“  De bewondering gold niet eens zozeer voor het frivole, melodramatische verhaal, als wel voor het wonderlijke overwicht dat die machtige monsieur Martin over zijn roofdieren had. Waar het publiek eerst slechts “wilde bruten” zag, wist de dompteur trouw, volgzaamheid en zelfs intelligentie in zijn beesten naar boven te brengen. 

Portret van Henri Martin in zijn gloriejaren. Vervaardiger: Raden Sarief Bastaman Saleh. Collectie Museum Rotterdam.

Talk of the Town

 

De roem van het stuk oversteeg de landsgrenzen en drong door tot in de Engelse theaterwereld. Henri Martin kreeg aanbiedingen van maar liefst drie Londense theaterdirecteuren. Hij koos voor het Drury-Lane theater, het oudste theater van Londen. Directeur Alfred Dunne bood hem het vorstelijke salaris van 400 francs per voorstelling aan en een tournee door Engeland, Schotland en Ierland. Aldus ging de dompteur scheep naar Engeland, vergezeld van drie oppassers en zijn acteurs: de tijger Atyr, één leeuw en twee leeuwinnen, een lama, een kangoeroe, een pelikaan, een zebra, twee boa constrictors, zes apen, zes papegaaien en de stand-in: het jachtluipaard. Zijn vrouw bleef achter in Frankrijk en bestierde de menagerie, die ook nog een aardige cent opleverde. 

 

Net als in Parijs was de held uit Les Lyons de Mysore in Londen “the talk of the town.” De heren en vooral de dames van de Engelse society aanbaden die goedgebouwde Zuid-Franse dompteur met zijn expressieve oogopslag en gaven hem als bijnaam “The Lion of the Day.” De dompteur sprak geen woord Engels en kon zijn bewonderaars slechts glimlachend toeknikken. Hij was trouwens zelf ook onder de indruk en keek, tijdens avondjes die door leden van de hoge adel ter ere van hem werden georganiseerd, zijn ogen uit. Hoewel hij inmiddels wel wat luxe gewend was, waren de weelde en praal waarmee de Engelse upper classes zich omringden van een ander niveau, dat sterk gecontrasteerd zal hebben met zijn eigen, vaak eenvoudige, leven van rondtrekkend artiest.  

Na een zeer succesvolle tournee door Engeland en Ierland keerde Henri Martin in de herfst van 1832 terug naar Frankrijk, waar hij een theatertournee deed door de steden van het noorden. Ook nu was het publiek lyrisch, trokken zijn voorstellingen uitverkochte zalen en stonden theaterdirecteuren voor hem in de rij. Toen hij eind 1833 met zijn eigen menagerie in Metz was, en met veel succes scènes uit Les Lyons de Mysore op zijn eigen toneeltje speelde, wisten Franconi en compagnons hem opnieuw weg te lokken voor een tournee met het Cirque Olympique door Frankrijk. In de piste van dat circus vertoonde Martin, tussen de vele paardennummers en de clowns,  oefeningen met de leeuwen Nero en Fanny, zijn tijger Atyr en een gestreepte hyena aan het laaiend enthousiaste publiek. Martin had daarmee weer een primeur: hij werd de eerste dompteur die onderdeel ging uitmaken van een circusvoorstelling.

Advertentie voor een voorstelling van Les Lyons de Mysore in Engeland.

Ten slotte reisden de Martins in de jaren die daarop volgden weer met hun eigen menagerie. In elke stad die zij aandeden in Duitsland, België en Nederland stroomde het geestdriftige publiek massaal toe. Ook prinsen en gekroonde hoofden vereerden Martins etablissement met een bezoek. Kunstenaars en biologen vertoefden eveneens graag in de menagerie om roofdieren te tekenen en te bestuderen. Maar ondanks dit onverminderde succes werden Henri en zijn vrouw Gertrude rond 1836 wat moe van hun rusteloze zwerversbestaan. Daar ze inmiddels rijk waren, hield niets hen tegen om zich ergens te vestigen, de menagerie te verkopen en de rest van hun leven te rentenieren. 

Aldus geschiedde; in 1837 kwam de menagerie in handen van Gertrude's jongste broer Cornelis, die ermee ging reizen onder de naam "Le Lion de Misore", om zo nog een graantje mee te kunnen pikken van het succes van zijn zwager. Het echtpaar Martin begon onderwijl in Kralingen aan een tweede leven, dat in Martins geval nog bijna vijftig jaar zou duren.

Mr. Martin als dompteur. Verschillende afbeeldingen. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Scène uit Les Lions de Mysore. Mr. Martin als dompteur. Verschillende afbeeldingen. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Atyr en Coburg 

De inwoners van Kralingen knoopten dus maar wat graag een praatje aan met hun illustere buurtgenoot. En een uitnodiging van Pierre-Henri Martin en zijn vrouw zullen ze niet hebben afgeslagen. Niet elke dag had men tenslotte de mogelijkheid om bij een leeuwentemmer op de thee te komen! Bovendien was de ex-dompteur ook nog een Fransman en dat bleek uit alles: in huize Martin was de voertaal Frans, Franse Empire was de stijl van de meubelen en het serviesgoed, uit de keuken van de dierentemmer kwamen Franse maaltijden en ook de wijnen die geserveerd werden kwamen uiteraard uit Frankrijk. Net als bij iedereen uit de negentiende-eeuwse hogere kringen, stond bij de welgestelde inwoners van Kralingen de taal en cultuur van Frankrijk in hoog aanzien. Ze zullen de gelegenheid hebben aangegrepen om hun kennis bij een echte Fransman thuis te kunnen etaleren en opfrissen. 

  

Waarover zou Martin met zijn gasten hebben gekeuveld? Misschien over het grote portret van Napoleon Bonaparte dat in de salon van huize Martin hing. De Franse keizer werd door Pierre-Henri hogelijk bewonderd; Martins vader was een jeugdvriend geweest van maarschalk Masséna, een van Napoleons vertrouwelingen. Maar wellicht ging de aandacht van het gezelschap eerder uit naar de achttien katten en tweeëntwintig honden die het huishouden van de dierentemmer verlevendigden.  Wellicht trok Martin één van zijn katten, een gestreepte Cyperse, op schoot en begon hij, terwijl hij het dier streelde, herinneringen op te halen aan zijn geliefde tijger Atyr, die zowel het begin als het einde van zijn carrière als dompteur markeerde. Zal hij zijn toehoorders het legendarische verhaal uit de doeken hebben gedaan over hoe hij de hand van zijn vrouw won door Atyr te temmen? 

Portret van de tijger Atyr, naar Eugène Verboeckhoven, 1865. Collectie Museum Rotterdam.

 

In 1819 stond Pierre-Henri met zijn falende circusje op de kermis in Neurenberg naast de menagerie van Van Aken. Hij scharrelde graag rond in die menagerie, niet alleen uit belangstelling voor de wilde dieren, maar ook vanwege de knappe zus en mede-eigenaresse Cornelia Wilhelmina (Gertrude) van Aken. Hoewel ook zij gevoelens had voor de knappe Pierre-Henri, zag de familie niets in een verbintenis met de armlastige kunstrijder. Op een dag was Martin weer in de menagerie en voerde, in gepeins verzonken, een vijg aan een mandril, toen Atyr de tijger zijn poot door de tralies sloeg en hem bijna raakte. De tijger haalde vervolgens wéér uit, waarop Martin hem een harde tik op de poot gaf met zijn wandelstok. Het dier week achteruit en bleef hem van achterin zijn kooi argwanend beloeren. In de dagen erna bleef de tijger hem met zijn blik volgen. De kunstrijder, verbaasd over de intelligentie van het wilde dier, begon zich af te vragen of hij de tijger, net als een paard, zou kunnen temmen. 

In de paardendressuur had Martin zijn sporen nagelaten; hij had zelfs de reputatie een soort paardenfluisteraar te zijn. Hij besloot een poging te wagen en kwam vanaf dat moment elke dag terug om zacht en vriendelijk met de tijger te praten en hem stukken vlees te voeren als beloning. Al snel was het dier niet meer bang en wreef zich tegen de tralies om zijn nieuwe vriend te begroeten en zich te laten aaien. Na een maand of twee wist Pierre-Henri een oppasser van de menagerie te overtuigen om op een rustig moment, als er niemand aanwezig was, de deur aan de achterkant van Atyrs kooi te openen. Terwijl de oppasser bevend van angst bij de deur bleef wachten, betrad Martin de kooi. Atyr sprong dreigend op, sloeg met zijn staart, blies als een kat, maar hij bleef in zijn hoek. Martin hield de roofkat nauwlettend in de gaten, maar deed net of hij ontspannen een praatje maakte met de oppasser aan de andere kant van de deur. Na enkele minuten verliet hij ongedeerd het hok. Dit ritueel herhaalde zich in de maanden die volgden. De tijger werd bij elk bezoek rustiger; hij blies niet meer, zette zijn snorharen niet meer overeind en ging uiteindelijk zelfs op bevel liggen, waarop hij als beloning van Martin een stukje vlees kreeg. Niet lang daarna besloot Martin om Gertrude en de rest van de familie Van Aken erbij te roepen. Die stonden perplex toen ze zagen hoe de kunstrijder in het midden van de kooi ontspannen speelde met de “terrible carnivore” alsof het een hond betrof! “Gelooft u nu,” stelde de kersverse dompteur aan mijnheer Van Aken, “dat ik in staat ben in mijn levensonderhoud te voorzien en voor mijn vrouw en kinderen een fortuin te vergaren?” Het gelukkige stel kreeg daarop toestemming voor een huwelijk en kort daarop trouwden Henri en Gertrude in Leipzig.

 

De kans is echter groot dat Martin dit romantische verhaal niet op die manier aan zijn gasten heeft verteld. Hoewel het vaak is herhaald in publicaties die over de dompteur verschenen, klopt het hoogstwaarschijnlijk niet! Frits van Dixhoorn, schrijver van het uit 1957 stammende levensverhaal over Martin genaamd “De Leeuw van Kralingen,” meende dat het een verzinsel was van Pierre Amédée Pichot, schrijver van de eerste uit 1877 stammende biografie van Martin. Van Dixhoorn komt met argumenten en vraagt zich bijvoorbeeld in zijn boek af hoe Martin, die in die tijd een eigen circus had, het voor elkaar had gekregen om acht maanden bij de menagerie van Van Aken te blijven rondhangen; de tijd die nodig was om Atyr te temmen? Bovendien zijn volgens Van Dixhoorn tijgers heel moeilijk te dresseren en zal Martin eerst op de leeuwen en de hyena uit Van Akens menagerie hebben geoefend, voor hij aan Atyr begon. Een veel oudere biografische schets over Henri Martin uit 1834 bevestigt waarschijnlijk Van Dixhoorns overtuiging. Daarin staat dat Martin niet zijn geliefde, maar zijn “épouse, ” ofwel echtgenote en haar familie liet roepen om zijn dressuurstunt met tijger Atyr te laten bewonderen! Gertrude was zwanger, aldus van Dixhoorn, en dat was de reden voor Van Aken om de armlastige circusdirecteur en voltigeur als echtgenoot voor zijn zus te accepteren. Hoe dan ook, vast staat dat Henri’s verbintenis met de familie van Aken een briljante ommezwaai in zijn loopbaan betekende en dat het dompteren van de wilde Atyr een bijzondere prestatie was. 

 

Het spinnende katje op zijn schoot zal Martin misschien, nog meer dan aan Atyr, aan zijn leeuw Coburg hebben herinnerd. Wie weet vertelde hij zijn gasten het een en ander  over dit dier, waarmee hij zo’n innige band had. Coburg was genoemd naar zijn vader, een leeuw waar Martin eveneens erg aan gehecht was en die vernoemd was naar de hertog van Saxen Weimar-Coburg, een vriend en beschermer van Martin. Anders dan de eerste Coburg was Coburg II in de menagerie geboren en gevoed door een teef. Toen hij zes maanden was, en al veel groter dan zijn voedster, droeg het leeuwtje zijn hondenmoeder liefdevol in zijn bek. Coburg was heel gedwee en luisterde zo goed, dat het dier het voorrecht kreeg om na sluitingstijd vrij in de menagerie en het verblijf van Martin rond te banjeren. Als de dompteur een potje aan het kaarten was, had het speelse roofdier de gewoonte om met zijn poot het spel door de war te gooien. Daar hield hij slechts mee op als Martin het geduld verloor en dreigde zijn zweep te halen! De arme Coburg vond overigens een al te huiselijke dood: hij stikte in een pantoffel!

Dompteur Henry Martin met de tijger Atyr. Prent, anoniem.

Geduld

Ook de andere door Martin gedresseerde dieren maakten naam. Naast Coburg en Atyr bestond zijn troep onder andere uit de leeuwen Nero en Blücher, leeuwinnen Charlotte en Fanny, en Marianne de hyena. “Maar hoe temt men eigenlijk zulke woeste, wilde dieren?” zullen de invités in huize Martin ongetwijfeld gevraagd hebben.  Waarschijnlijk stelden zij zich voor, dat de dompteur flink de zweep erover legde om die bloeddorstige beesten tot gehoorzaamheid te dwingen. Maar niets is minder waar. Zelf schreef hij in 1869 over dit onderwerp aan een vriend, naar aanleiding van het bericht over een door zijn eigen leeuwen verscheurde dompteur te Parijs: “Ik heb er acht maanden over gedaan om een koningstijger te dresseren. Geen mens heeft me ooit met een zweep in de hand gezien. Tegenwoordig werkt de dompteur met een zweep en een revolver…maar de dieren zijn niet zo goed afgericht als de mijne.”

 

Veel tijdgenoten waren ervan overtuigd dat Martin een geheim middel toepaste om zijn dieren gehoorzaam te krijgen. Zo werd er bijvoorbeeld gedacht dat hij zijn dieren bedwelmde met speciale kruiden of zelfs dat hij een geheime dierentaal sprak! In werkelijkheid kwam zijn methode misschien vooral neer op eindeloos geduld. Martin spendeerde jaren aan het bestuderen van de gewoontes en gedragingen van zijn dieren. En voordat hij een dier tam kreeg, waren er soms een paar jaar verstreken. De hyena Marianne bleef bijvoorbeeld twee jaar lang stug in de hoek zitten, nadat het dier tijdens Martins eerste twee bezoeken had getracht de dompteur te bijten (deze had zijn ledematen met dik touw omwikkeld). Maar uiteindelijk drentelde de hyena naar Martin toe en besnuffelde zijn voeten. Vanaf dat moment nam de training maar twee weken in beslag en was het dier snel zo tam als een hond.

Portret van de leeuw Nero. Vervaardiger: Francina Louisa Schot, echtgenote van Henri Martin, 1855-1875.

Zelf zei Pierre-Henri over zijn dressuurmethoden: “Om tot verbazende resultaten te komen, heeft men slechts dapperheid, kracht en een goed oordeelsvermogen nodig. Ik leg mij erop toe het karakter van mijn dieren te leren kennen en aan hun neigingen en hartstochten tegemoet te komen. Aan de luien geef ik rust, met de speelzieken speel ik; ik word hun vriend, omdat zij bang zijn, mij tot vijand te hebben.” “Maar waarvoor waren de roofdieren dan bang, als Martin geen zweep gebruikte?” moeten zijn gasten zich hebben afgevraagd. Die vraag was voor de leeuwentemmer zelf waarschijnlijk moeilijk te beantwoorden, maar uit alles wat er over Henri Martin is gepubliceerd, blijkt dat hij beschikte over een bijzonder natuurlijk gezag en een groot vertrouwen in eigen kunnen. Dat zelfvertrouwen, die rust en onverzettelijkheid van de dompteur zullen de dieren ongetwijfeld hebben aangevoeld. Ook maken auteurs melding van Martins spierkracht (“la force musculature d’un Hercule”), zijn lenigheid als voltigeur, zijn onverstoorbare koelbloedigheid en indringende, bijna hypnotische blik. Deze dingen tezamen zullen waarschijnlijk de essentie gevormd hebben van zijn succes als dierentemmer. 

Tegenwoordig staan we logischerwijs minder positief tegenover het temmen van  wilde dieren; de meeste mensen zien leeuwen en tijgers immers liever in hun natuurlijke omgeving dan kunstjes verrichtend in een circuspiste. De belangstelling voor het dompteurnummer in circussen was dan ook al decennialang tanende, toen er in Nederland in 2015 een verbod kwam op het houden van wilde zoogdieren in circussen. Ook in veel andere landen is zo’n verbod de laatste jaren ingevoerd. Het heeft echter niet zoveel zin om onze moderne oordelen en standpunten over dierenwelzijn met terugwerkende kracht op Henri Martin te projecteren. Die beleefde zijn hoogtepunt als dompteur in een heel andere tijd, zo’n 200 jaar geleden! Zoals Arie van den Berg schrijft in De leeuw van Alpi (2021), een boek over de reizende menageriehouder Antonio Alpi, een voorloper van Martin, stonden de biologie en het dierentuinwezen in die tijd nog in de kinderschoenen: “(…) zoals de zeevaart over nog ongekende einders trok, was ook de dieren- en plantenwereld grotendeels ’terra incognita.’” Ook inzichten betreffende dierenwelzijn moesten zich nog ontwikkelen.

Martin droeg als dompteur en menageriehouder bij aan het vergroten van de kennis over wilde dieren. Zo toonde hij met het temmen van Atyr aan dat tijgers en andere roofdieren niet slechts redeloze en bloeddorstige moordenaars waren, zoals de eerder genoemde Comte de Buffon (1707-1788) had geschreven en zoals de heersende opinie toen nog was. Roofkatten bleken onder Martins handen intelligente wezens, in staat tot herkenning en genegenheid. Ook al in het midden van de negentiende eeuw beklaagden sommige  mensen het lot van de uit hun natuurlijke omgeving gerukte, en in kleine kooien verblijvende dieren in rijdende of vaste menagerieën. Romantische schilders uit die tijd bijvoorbeeld, zagen de dieren liever vrij in de woeste, wilde natuur in plaats van wegkwijnend achter tralies. Henri Martin koesterde eveneens dit soort denkbeelden. Hij liep een tijdje rond met plannen om een zogenaamd “Zoörama” op te richten, een tuin waarin kunstenaars en wetenschappers de dieren zoveel mogelijk in hun natuurlijke omgeving zouden kunnen bestuderen. Helaas stak de revolutie van 1830 een stokje voor dit project en zou het pas veel later door circuseigenaar en dierenhandelaar Carl Hagenbeck worden verwezenlijkt. Deze richtte in 1907 in Hamburg “het eerste tralieloze dierenpark ter wereld” op. Ook Henri Martin drong er bij de oprichting van de Rotterdamse Diergaarde in 1857 trouwens op aan om de dierenverblijven zo natuurlijk mogelijk te maken.

 

Dit soort overpeinzingen over dierenwelzijn waren in de negentiende eeuw nog geen gemeengoed, aangezien de nieuwsgierigheid en de sensatie die men voelde bij het zien van exotische dieren nog overheerste. Beeldmateriaal was nu eenmaal nauwelijks voorhanden.  Overigens schreef men over Martins dieren dat ze er mooi en gezond uitzagen. In de menagerie van het echtpaar Martin werden regelmatig jonge leeuwtjes geboren, die de dompteur met veel zorg groot wist te brengen. Professoren in de natuurlijke historie bezochten met regelmaat de menagerie. Zij realiseerden zich dat de dompteur meer wist over het gedrag en de levenswijze van de dieren dan zij, en ze wilden van hem leren. De beroemde naturalist en zoöloog Georges Cuvier (1769-1832), wel de grondlegger van de paleontologie genoemd, was een groot bewonderaar van Martin. Hij trof de dompteur en zijn menagerie in Baden Baden en moedigde Martin aan om Parijs aan te doen (Frankrijk en met name Parijs, was voor artiesten in die tijd “the place to be;” wie de kritiek van de veeleisende Parijzenaren doorstond, zou overal succes hebben). Ook nadat de menagerie verkocht was, bleven wetenschappers en belangstellenden Martin raadplegen. Zo gaf hij advies over de voeding van de roofdieren aan de in 1838 opgerichte dierentuin Artis Natura Magistra. Niet zo vreemd, want de kern van de Amsterdamse tuin bestond uit de dieren uit de reizende menagerie van Cornelis van Aken. Deze had zijn van Martin overgenomen dierenverzameling al na ruim een jaar aan Artis doorverkocht! 

Mr. Martin als dompteur. Verschillende afbeeldingen. Le hyène moucheté. Collectie Stadsarchief Amsterdam

Portret van Georges Cuvier(1801-1847). Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Ontsnapt!

Misschien sprong op dat moment het katje van Pierre-Henri’s schoot en zagen de gasten het dier naar de deur rennen. Daarop zal de gastheer het gesprek misschien teruggebracht hebben op Atyr, zijn geliefde tijger en diens neiging tot ontsnappen. De eerste keer dat dit gebeurde, was in het Zwarte Woud in het jaar 1826. Martins reizende menagerie bracht er de nacht door in een klein dorpje, bij een herberg. Tijdens de reis was het hangslot van Atyrs reiswagen door het gehobbel over de ruwe landwegen losgeraakt, waardoor het dier, eenmaal ter plaatse, ongemerkt kon uitbreken. Dat veroorzaakte begrijpelijkerwijs grote consternatie onder de aanwezige gasten en dorpsbewoners. Gelukkig wist de dompteur, zich bewust van het gevaar, het dier met grote krachtsinspanning weer in zijn kooi te krijgen, waarna hij het volk, dat zich uit angst in de herberg gebarricadeerd had, kon geruststellen. Aangezien de temmer onder het bloed zat, viel dat niet mee. Dat was evenwel afkomstig van een schaap dat hij tevoren voor zijn dieren aan het slachten was! 

Johann Wolfgang  von Goethe's verhaal 'Novelle'.

Zou de dompteur geweten hebben dat dit incident, waarvan het nieuws zich als een lopend vuurtje verspreidde, ook Johann Wolfgang von Goethe ter ore was gekomen? De beroemde Duitse schrijver (1749-1832) bezocht graag reizende menagerieën en was gefascineerd door Alpi’s tijger. Het bericht van Atyrs ontsnapping inspireerde hem aan het einde van zijn leven tot het schrijven van een verhaal genaamd “Novelle” (1826), waarin een gezelschap jagende edelen geconfronteerd wordt met twee uit een kermis ontsnapte roofdieren, een leeuw en een tijger. Het verhaal, vol symbolische betekenissen, gaat in op de relatie tussen mens en natuur. Goethe wilde laten zien dat het “onbeheersbare en ontembare” vaak beter overwonnen kan worden door “liefde en vroomheid” dan door geweld.

 

In 1830 te Parijs wist Atyr weer te ontkomen. Het dier veroorloofde zich dit keer “une petite promenade sur le boulevard,” zoals Henry Thétard schrijft in “Les Dompteurs”(1928). Gelukkig kwam Martin wederom op tijd tussenbeide. Hij wist een gevecht te voorkomen tussen zijn gunsteling en een adjudant die zijn zwaard had getrokken om het vluchtende publiek te beschermen.                  

 Tijger Atyr stierf in 1836 in Brussel op de indrukwekkende leeftijd van 21 jaar. Zijn dood betekende ook het einde van Martins loopbaan als dompteur, daar het droevige verlies van zijn vriend hem en zijn vrouw Gertrude deed realiseren dat ze na 35 jaar genoeg hadden van hun zwervende bestaan. 

Ontsnapping van de tijger Atyr in Parijs. Illustratie uit 'Les Dompteurs' door Henry Thétard, 1928

Beroemdheden     

Wellicht dat Martin zijn gasten na dit relaas wat beu was en dat hij trachtte hen vriendelijk doch resoluut de deur uit te werken. Geduld kon de Fransman namelijk vooral opbrengen voor dieren, niet zozeer voor mensen. Maar misschien zat hij net op zijn praatstoel en vond hij het amusant om de nieuwsgierige dames in het gezelschap wat te verhalen over de vele beroemdheden, zoals schrijvers, kunstenaars, wetenschappers, vorsten en adellijke figuren, die tijdens zijn carrière zijn pad hadden gekruist. Zo zou hij verteld kunnen hebben van de jonge kunstenaar die in 1825 in Gent, tot Martins genoegen, vaak in de menagerie vertoefde om de dieren te tekenen. Deze Eugène Verboeckhoven zou later roem verwerven als dierenschilder. In ruil voor een klein schriftje met lithografieën van de belangrijkste dieren, dat aan de ingang verkocht zou worden, gaf directeur Martin hem gratis toegang. De romantisch aangelegde jonge artiest beklaagde zich op een dag over de tralies voor het verblijf van de leeuw Nero: “Hoe mooi zou het zijn om deze reus van aangezicht tot aangezicht te kunnen schilderen, in de mysterieuze eenzaamheid van de bossen waarin hij is geboren, zonder de schaduw van slavernij die de ijzeren tralies van zijn kooi op deze gevangen koning werpen!” zou hij hebben uitgeroepen. Waarop de dompteur hem uitnodigde om samen Nero’s kooi te betreden. De leeuw bleef, gerustgesteld door de aanwezigheid van zijn baas, kalm in zijn hoek liggen terwijl Verboeckhoven hem tekende.  Met het oog op de publiciteit nodigde de dompteur een aantal plaatselijke notabelen uit en eveneens de hertog van Saxen-Weimar om die speciale gelegenheid bij te wonen. Na afloop feliciteerden de heren Verboeckhoven met zijn dapperheid. 

Prent naar tekening van Eugène Verboeckhoven, gemaakt in de menagerie van Martin, Gent 1825. Collectie Rijksmuseum Amsterdam

Martins Kralingse vrienden zullen eveneens met rode oortjes geluisterd hebben naar het verhaal van zijn ontmoeting met Maria Malibran (1808-1836), misschien wel de beroemdste negentiende -eeuwse zangeres. De jong gestorven vedette bleef nog lang na haar dood een romantisch idool en een publiekslieveling.  In 1836, kort voor haar tragisch overlijden als gevolg van een val van haar paard, bezocht Malibran de in Brussel gestationeerde menagerie. Ze maakte, enigszins bedrukt, tegenover Martin een vergelijking tussen de zachtheid en vriendelijkheid waarmee deze met zijn dieren omging en de wreedheid en hardvochtigheid van haar vader, de tenor en componist García.  Manuel del Pópulo Vicente García was driftig en ongeduldig. Maria Malibran en haar eveneens beroemde zus, zangeres Pauline Viardot, leden onder zijn barbaarse opvoedingsmethoden.

Portret van Maria Malibran. Vervaardiger: Jacques Sturm, 1825-1844. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Wanneer Henri met zijn menagerie in een stad was gearriveerd, zocht hij doelbewust contact met plaatselijke notabelen en de aristocratie van de streek. De patronage van deze invloedrijke lieden was goed voor de reputatie van zijn menagerie. Bovendien bezaten heel wat aristocraten zelf dierenverzamelingen, waardoor ze dus graag van Martins ervaring en kennis gebruik maakten. Toen de menagerie in 1825 in Berlijn was neergestreken - tussen Tiergarten en de Brandenburger Tor -  kwam Henri in contact met de koning van Pruissen. Het amuseerde deze Frederik-Willem III, die zelf een mooie dierenverzameling bezat in zijn koninklijke tuinen, om met de dompteur van gedachten te wisselen. Martin slaagde erin om de lievelingspapegaai van de koning te genezen en de kale vogel weer van een mooi verenpak te voorzien. Uit dankbaarheid mocht de temmer een paartje – in Europa nog nauwelijks bekende - reuzenkangoeroes uit de koninklijke collectie overnemen, een gunst die de vorst zelfs aan de koning van Beieren had geweigerd. 

Portret van Maria Carolina van Bourbon Sicilië (Duchesse de Berry). Vervaardiger: Henri Grévedon. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Martin zal zijn gasten misschien evenmin het verhaal onthouden hebben van zijn vriendschap - in 1830 - met de hertogin Marie-Caroline de Berry. Deze hooggeplaatste dame zou de nieuwe koningin van Frankrijk zijn geworden als haar man, de hertog van Berry, in 1820 niet was vermoord. De hertog had als troonopvolger de toekomst  van de Bourbon-dynastie zeker moeten stellen. Ondanks dit drama in haar leven was “duchesse” Marie-Caroline een levendige en vrolijke persoonlijkheid die zich opwierp als beschermster van de kunsten. Ze bezocht regelmatig de in dat jaar in Parijs opgestelde menagerie en steunde Martins plan tot de oprichting van het eerder genoemde Zoörama. Ook benoemde de hertogin hem tot “inspecteur honoraire” van haar eigen menagerie in Rosny, waar zij fazanten hield en een collectie bijzondere dieren bezat. De dompteur was zó blij met de patronage van deze edele dame, dat hij haar wapenschild boven de ingang van de menagerie aanbracht. Het hing er echter nog maar net, of er brak een revolutie uit in Parijs. 

Ansichtkaart met afbeelding van de julirevolutie van 1830

Deze tweede Franse revolutie was kort en succesvol; zij duurde maar drie dagen: 27, 28 en 29 juli 1830; dagen die de “Trois Glorieuses” worden genoemd. In die korte periode kwam de liberale burgerij in opstand tegen de autoritaire koning Karel X de Bourbon. Directe aanleiding was, dat Karel eigenhandig een aantal burgerrechten wilde opheffen zoals de persvrijheid en het ruime stemrecht. Deze verworvenheden van de revolutie van 1789 waren in 1814, bij de restauratie van de Bourbon-dynastie, in een constitutioneel handvest vastgelegd. Boze burgers wierpen overal in Parijs barricaden op en gingen de strijd aan met het leger. Toen op 29 juli het Tuilerieënpaleis werd bestormd, vluchtte koning Karel met zijn familie, waaronder hertogin Marie-Caroline de Berry, naar Engeland. De revolutionaire burgerij schafte de monarchie trouwens niet af, maar koos voor een meer liberale, constitutionele versie. Louis-Philippe, uit het huis Orléans, werd geen “roi de France,” maar “roi des Français,” koning der Fransen. 

 

Martin bevond zich middenin dit tumult. Barricades werden vlak voor de menagerie opgeworpen en de opstandelingen en het leger wisselden schoten uit. Wijselijk verwijderde de dompteur het wapenschild van de Bourbonse hertogin van zijn poort; hij wilde voorkomen dat de woeste meute zich op zijn dieren zou storten. De opstandige burgerij had Martin trouwens graag voor haar zaak willen inlijven. Zo verscheen er een pamflet met een dichterlijke oproep aan de dompteur om een ander beest te temmen, dat men tot dan toe niet had kunnen muilkorven, namelijk “die tiran die Frankrijk onderdrukt.” Maar Martin koos tijdens deze gebeurtenissen wijselijk geen kant; hij  hoopte vooral dat zijn menagerie er zonder kleerscheuren vanaf kwam. Zo waarschuwde hij bijvoorbeeld zijn aristocratische vriend, de hertog van Braunschweig, om zich uit de voeten te maken voor de boze revolutionaire menigte die het op hem had gemunt. De ijdeltuit met zijn zwartzijden pruik had het namelijk in zijn hoofd gehaald om samen met wat adellijke vrienden, vanuit een dure koets, het opstandige volk vlak voor de menagerie met toneelkijkers te beloeren. Na de troonsafstand van de Bourbons hees de leeuwentemmer terstond de revolutionaire driekleur aan de top van de menagerie en gaf hij gehoor aan de oproep van de Nationale Garde (een in de Franse Revolutie opgerichte burgermilitie die de orde moest bewaren en die ook in latere revoluties een rol speelde) om tweewekelijks te exerceren. Hij maakte van de gelegenheid gebruik om aan zijn mede-Gardisten  (zo’n beetje alle mannelijke Parijse burgers) folders uit te delen waarin hij ze uitnodigde om met korting naar de menagerie te komen. Helaas had de actie weinig succes: de burgerbevolking was nog te vol van de recente triomf en speelde liever soldaat, terwijl de aristocratie - waarvan Martin zoveel steun had ondervonden - halsoverkop uit de hoofdstad was vertrokken.  

Geruchten

Het verhaal was als voorpaginanieuws door vele kranten overgenomen. De almanak van Luik publiceerde zelfs een prent waarop te zien was hoe het hoofd van Martin door de leeuwenkooi rolde. De dompteur had heel wat overredingskracht nodig om het publiek ervan te overtuigen dan hij nog springlevend was! De hardnekkige roddel was zelfs bij de ongeruste familie van zijn vrouw in Rotterdam beland. Nog in 1866 nam de Nieuwe Rotterdamsche Courant een ingezonden brief over die de oud-dompteur naar een Franse krant had gestuurd. Daarin kwam hij terug op het gerucht dat in 1832 de ronde deed: “Maar, Goddank, ik behoor nog altijd tot deze wereld en ik ben nimmer opgepeuzeld geworden, gelijk men ten onregte gezegd heeft, noch door mijne fraaije leeuwin Henriette, noch door mijn leeuw Coburg, noch door mijn tijger Atir, noch door mijne hyena’s.”

Wat de kermis te zien geeft. Vervaardiger: Jan de Haan, 1875-1903, Collectie Rijksmuseum.

Na dit boeiende kijkje in de recente Franse politiek (voor Martin en zijn gasten waren deze gebeurtenissen te kort geleden om ze “geschiedenis” te noemen, hoewel burger-koning Louis-Philippe na de revolutie van 1848 al weer geschiedenis zou zijn) zal de visite van de oud-leeuwentemmer misschien eindelijk aanstalten hebben gemaakt om op te stappen. Het was de  bewegelijke gastheer vast aan te zien dat hij niet langer stil kon zitten en zijn geduld begon te verliezen. Die onuitputtelijke energie van Martin zal aan de Kralingers wellicht een laatste vraag hebben ontlokt; want hoe zat het toch met dat verbazende overlevingsinstinct van hun Franse buurman?       

In de loop der jaren waren er verscheidene geruchten rondgegaan in de pers over de dood van de beroemde dompteur. Hij zou zijn verslonden door zijn roofdieren. Dat die verhalen rondgingen, was niet zo verwonderlijk. Dompteurs hadden een gevaarlijk beroep en eindigden hun carrière, vooral in de beginjaren van het vak in de negentiende eeuw, vaker wel dan niet als prooi voor hun dieren. 

 

Het meest weerbarstige gerucht betreffende Martin ging rond in de zomer van 1832. Henri was net teruggekeerd van zijn tournee door Engeland en had nog nauwelijks een voet aan wal gezet in Frankrijk, toen hij tot zijn verbazing te horen kreeg dat hij was overleden! Een damesblad genaamd ‘Le Papillon’ had in haar uitgave van 17 juli 1832 een sappig verhaal geplaatst over hoe de dompteur in Dublin door zijn leeuwin Henriëtte was aangevallen en gedood: “(…)Bij deze sprong had ze Martin gegrepen, en haar klauwen zaten vast in zijn vlees, terwijl haar rode muil het hoofd van de man vast greep en verbrijzelde als een zwakke woestijnjakhals. (…) En Martin is dood! Die arme Martin! Zo intelligent, zo dapper (…) Dood met achtendertig jaar! (...)."

     

Toch werd ook Martin geconfronteerd met de dood. Een mensenleven was in de negentiende eeuw nu eenmaal fragieler en vaak korter dan in onze tijd. In 1826 - vlak voor een optreden in aanwezigheid van de hertog van Brunswijk en diens hofdames - kreeg de dompteur te horen dat zijn jonge zoon Constantin, het enige kind van hem en Gertrude, onverwacht in een pension in Bremen was overleden. Ondanks de schok die hij ervoer bij het horen van dit bericht, betrad hij zoals gebruikelijk de kooi en gaf zijn voorstelling, hoewel met onvaste stem en trillende handen. De recente dood van zijn vrouw Gertrude, in 1848, betekende voor de Fransman eveneens een groot verdriet.

 

 Zelf wist de dompteur verscheidene malen aan de dood te ontsnappen. Rond 1820 maakte hij een enorme buiteling vanuit de hoogtes van het theater in Bremen, waar hij met het Cirque Olympique van Blondin in een paardenspel-versie van De Rovers van Schiller speelde. Hij overleefde de val wonderwel (hoewel niet wordt vermeld hoe het met zijn arme paard afliep), maar ook na die gebeurtenis ontstonden er geruchten in de pers over zijn dood. Enige jaren later was het zijn familie die hem dood waande. Om zichzelf kosten en zijn dieren het gehobbel en gebonk van de landwegen te besparen, had de dompteur in Bremen vier rivierschepen gecharterd. Die moesten de menagerie in zijn geheel naar Hamburg vervoeren: de Weser af, een stukje over zee en vervolgens de Elbe op tot aan de stad Hamburg. Zijn vrouw en haar familie ondernamen de tocht over land.

 

Helaas stak er in de Elbemonding een verschrikkelijke storm op, die de scheepjes met hun vastgesjorde reiswagens vol brullende en klagende levende have richting open zee blies. Na een dagenlang gevecht met de elementen raakten de dieren chagrijnig en uitgehongerd en de bemanning wanhopig en lethargisch. Martin trachtte de kapitein en zijn matrozen moed in te praten, maar toen dat niet werkte, dreigde hij zijn wilde dieren op hen los te laten. Die tactiek had effect; ten prooi vallen aan hongerige roofdieren bleek voor de meesten een nog minder aantrekkelijk lot dan verdrinken. Met de moed der wanhoop zette de bemanning zich weer aan het werk, zodat de vier schepen - vijf dagen later dan gepland - Hamburg wisten te bereiken, waar de dierentemmer zijn wanhopige familie gerust kon stellen. 

Dierentemmer met tijger. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Martins dompteur-acts verliepen evenmin altijd vlekkeloos. Op een dag in 1832, kort na het valse gerucht van zijn dood in Dublin,  ging het flink mis in de leeuwenkooi. Tijdens een voorstelling van Les Lions de Mysore in Boulogne-sur-Mer leek Henri zijn natuurlijke overwicht te zijn kwijtgeraakt. Hij moest dat bekopen met een aanval door zijn leeuw Prince.  De avond ervoor was het onrustig geweest in de menagerie; het was paartijd, de leeuwen brulden naar elkaar en Prince had geweigerd zich, zoals iedere avond, door de dompteur te laten aaien. Toen de leeuw tijdens de voorstelling het met tralies afgeschermde toneel betrad, besefte Martin dat hij een inschattingsfout had gemaakt: Prince was nog steeds chagrijnig, loerde vanuit zijn hoek argwanend naar de dompteur en weigerde te gehoorzamen. De temmer kon de eerste aanval van het nijdige roofdier nog pareren met een vuistslag tussen de ogen, hoewel hij daarbij zijn pols brak en zijn vingers ontwrichtte. Bij de tweede charge van Prince zag het publiek hoe Martin zijn heup naar voren gooide in de hoop zijn bovenlichaam te beschermen. Het woeste dier zette zijn scherpe hoektanden in Martins dij en scheurde er een flinke stuk uit. Gelukkig kwam de grote kat op dat moment bij zinnen, herkende zijn baas weer, en droop sluipend af. Terwijl bij het publiek het besef doordrong dat dit bloederig spektakel geen onderdeel was van de voorstelling, zakte het doek en kon Martin zich, bijna flauwvallend van het bloedverlies, uit de voeten maken.  

Ook dit incident overleefde de koelbloedige leeuwentemmer. Hoewel Martin stijve vingers en een permanente hap uit zijn dij overhield aan de aanval, was hij na drie maanden weer op de been. Sterker nog, de onvermoeibare dompteur zette daarop zijn beloofde optredens in Boulogne gewoon voort, mét zijn leeuw Prince in de hoofdrol.

Directeur

Het was dan ook geen afgeleefde oude baas die, beleefd maar enigszins ongedurig, afscheid nam van zijn buren, maar een energieke vijftiger. Henri Martin zou nog ruim veertig jaar leven en pas overlijden op de respectabele leeftijd van negenentachtig. In 1857 verruilde hij zijn mooie woning in Kralingen voor een directeurswoning op het terrein van de Rotterdamse Diergaarde. Tijdens zijn onbezoldigd directeurschap zou hij van de Diergaarde een van de beroemdste dierentuinen in Europa maken. Alle dagen was hij in de tuin te vinden, ontving er beroemdheden, vorsten en zelfs, op een dag, de keizer van China! In zijn woning op het terrein “brak je je nek (…) over jonge dieren en apen,” zoals Frits van Dixhoorn schrijft. Die wilde Henri persé niet in kooien houden. De ex-dompteur had nog steeds een zwak voor roofdieren en die liefde was wederzijds; de leeuwen, tijgers en panters zagen hem graag en lieten zich met plezier door hem aaien.

Portret van Henri Martin als directeur van de Rotterdamse Diergaarde, 1857-1864. Vervaardiger: Francina Louisa Schot (?), echtgenote van Martin. Collectie Museum Rotterdam.

Na negen jaar nam hij afscheid als directeur, maar als ere-directeur bleef hij betrokken bij het wel en wee van de tuin. Ook onderhield hij tot op hoge leeftijd contacten met andere directeuren van Europese dierentuinen. In het landelijke Overschie, waar hij zich met zijn familie terugtrok in een kleine villa, had de zeventiger eindelijk tijd voor zijn tuin, zijn rozen en vogels. Ook kon hij er naar hartenlust vissen in de Schie. Henry Thétard schrijft in “Les Dompteurs,” een boek uit 1928, hoe er in dat dorp mensen woonden die de beroemde dompteur en vedette van Les Lions de Mysore nog gezien hadden, zittend onder een wilg aan de Schie, starend naar zijn dobber. Ongetwijfeld zullen daar, aan de waterkant, tussen de kwakende eenden en het ruisende riet, de vele hoogtepunten uit zijn lange en wonderbaarlijke leven aan zijn geestesoog voorbij zijn getrokken.

Foto van de Rotterdamse Diergaarde aan de Beukelsdijk, 1862-1871. Collectie Museum Rotterdam.

Overschie gezien vanaf de Schiedamse Schie. 1878-1882. Collectie Stadsarchief Rotterdam.

Bronnen

Balzac, Honoré de, Une Passion dans le Désert, Pantin, 2023. 

 

Berg, Arie van Den, De leeuw van Alpi, Handel en Wandel van een Beestenman, Amsterdam/Antwerpen 2021.

 

Dixhoorn, Frits van, De Leeuw van Kralingen. Een Panorama over het Leven van Henri Martin, Hoorn, 1957.

 

Notice Biographique et historique Sur M.Martin, Paris 1834.

 

Pichot, Pierre-Amédée, Les Mémoires d’un Dompteur, Paris 1877. 

 

Thétard, Henry, Les Dompteurs ou la Ménagerie des Origines à nos Jours, Paris 1928.

Gebruikte literatuur o.a.:

Websites o.a.:

Cirque-cnac.bnf.fr. (Les Arts du Cirque, l’Encyclopédie).

 

Circus.Parade.com, Antonio Franconi, Cirque et Dynastie.

 

Les Lyons de Mysore, Pièce en Trois Actes et en Sept Tableaux, Paris 1831 (Google-books).

 

Goethe, Johann Wolfgang von, Novelle, 1826 (Project Gutenberg).

Henri Martin is nog steeds een inspiratiebron: pagina uit het Franse kinderboek 'Tigres'door Olivier May, met daarin een fantasievol verhaal over de dompteur.

Information icon

We hebben je toestemming nodig om de vertalingen te laden

Om de inhoud van de website te vertalen gebruiken we een externe dienstverlener, die mogelijk gegevens over je activiteiten verzamelt. Lees het privacybeleid van de dienst en accepteer dit, om de vertalingen te bekijken.