Aert van Nes
Of een Korte Cursus Zeeheld
Door Anna Horsthuis
Inleiding
Veel Rotterdammers denken bij de naam Aert van Nes voornamelijk aan een straat in het centrum die de Coolsingel verbindt met het Schouwburgplein. Een enkeling weet, of kan zich wellicht herinneren, dat deze straat voor de oorlog bekend was om zijn fraaie Groote Schouwburg uit 1884, die mei 1940 zwaar was beschadigd en vervolgens werd gesloopt. Dat Aert van Nes (1626-1693) een belangrijke 17de-eeuwse zeeheld was, beseffen maar weinigen. Misschien is die onwetendheid maar goed ook, anders zou ook deze marineofficier als “controversieel” of als “koloniaal” worden weggezet; stempels die tegenwoordig zonder veel kennis of historisch besef op figuren uit het verleden worden gedrukt.
Voor men tot zulke oordelen komt, is het verstandig om eerst wat meer te weten te komen over het onderwerp “zeeheld.” De eenvoudige vragen: wie, wanneer, wat, waarom en hoe, moeten op zijn minst gesteld worden. Wie waren de zeehelden, wanneer speelde het zeeheldengebeuren zich af, wat was de taak van een zeeheld en waarom had hij deze taak? En tenslotte: hoe zag een zeegevecht eruit en hoe was het om een zeeslag mee te maken?
Deze vragen worden hopelijk in de onderstaande “korte cursus zeeheld” beantwoord, met Aert van Nes in de hoofdrol, zodat we voortaan een beter beeld hebben van de persoon wiens naam op dat straatnaambordje prijkt.

Portret van Aert van Nes met op de achtergrond een zeeslag. Gravure, vervaardiger: Abraham Blotelingh, 1665-1699. Onder de afbeelding een tien-regelig vers:
Wie Admirael van Nes in plaetkunst zou doen leeve
Moest d'Edelaardichheyd, de Trouw de Dapperheyd, De Scheepvaart-wetenschap, de Zege, Het Beleyd, Gedaante, lichaam, verw en toestel konnen geven.
En wie den lof des Helds niet schuldich wilde blijven,
Most zijne wonderen op zoo veel zeên gedaan,
Aan zoo veel Volk betoont, op eene Oceaan
Met veler Volekn bloed, en d'eelste pen beschrijven.
Maar daar de plaatkunst swicht, de pen ontbreekt in swier,
Voltooit elk dankbaar-heyt den mistel van 't papier!
Collectie Maritiem Museum Rotterdam.
Volkshelden
Spaanse Zilvervloot
Zeehelden zijn méér dan de pronkerig uitgedoste heren die ons vanaf de bekende zeventiende-eeuwse portretten trots aankijken. Zij speelden in onze geschiedenis een beslissende rol. Niet alleen de meest beroemden onder hen, zoals Maarten Tromp, Michiel de Ruyter of die dekselse “piraat” Piet Hein, maar ook minder bekenden als Aert van Nes, Adriaen Banckert, Auke Stellingwerf en zelfs die “veel te witte” Witte de With (bijgenaamd Dubbelwit). Zij wisten op kritieke momenten het tij te keren en de ondergang van de Republiek te voorkomen. Piet Hein bijvoorbeeld slaagde erin met het veroveren van de met zilver en kostbare handelswaar beladen Spaanse Zilvervloot (1628) een zware financiële slag toe te brengen aan de Spaanse vijand, zodat deze nauwelijks meer in staat was om de troepen die tegen de Republiek vochten te financieren. (Zelf was Hein nauwelijks trots op deze daad, daar hij de Spaanse vloot met weinig inspanning had weten te overmeesteren). Niet lang daarna, in 1639, kregen de Spanjaarden definitief de genadeslag toegebracht in de zeeslag bij Duins (in het Kanaal) onder leiding van admiraal Maarten Tromp en viceadmiraal Witte de With. Spanje staakte daarop zijn pogingen de Noordelijke Nederlanden te heroveren. Engeland besloot eveneens van invasieplannen af te zien en vrede te sluiten met de Republiek nadat admiraal de Ruyter en zijn vloot onverslaanbaar bleken. De Engelse historicus C.R. Boxer schreef daarover dat “als De Ruyter niet De Ruyter was geweest, de vloot der Staten Generaal in 1672 of 1673 overweldigd zou zijn en de Verenigde Republiek der Vrije Nederlanden hetzij niet verenigd, hetzij niet vrij gebleven zou zijn.”

Portret van Piet Hein op 47-jarige leeftijd. Gravure, vervaardiger: Willem Hondius, 1629. Collectie Maritiem Museum.

Portret van Witte de With (1599-1658) met op de achtergrond links een zeeslag (Slag bij de Sont),1660. Gravure, vervaardiger: A Blootelingh. Collectie Maritiem Museum.

Gevecht tussen de admiraalsschepen Aemelia van Tromp en Santa Teresa van De Oquendo tijdens de Slag bij Duins, 1639. 1642-1665. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.
Uit de gratie De relatieve onbekendheid met zeehelden in onze tijd hangt samen met het feit dat ze vanaf de Tweede Wereldoorlog, maar vooral sinds de jaren zestig, uit de gratie zijn geraakt. Dat was een reactie op het opgezwollen nationalisme in de negentiende en begin twintigste eeuw, de tijd van de “vaderlandse geschiedenis,” toen de zeeheld uit de Gouden Eeuw juist overdreven werd vereerd. Zeehelden vormden toentertijd de verpersoonlijkingen bij uitstek van “vaderlandse deugden” als dapperheid, standvastigheid, plichtsbesef en eenvoud. Aan dit soort eigenschappen had de vrijgevochten jaren-zestig mens weinig boodschap meer.
Bovendien ontstond er na de Tweede Wereldoorlog een zekere afkeer voor “grote-mannen-en veldslagen-geschiedenis,” ten gunste van de geschiedenis van de gewone man of vrouw en zijn of haar ervaringen. Die ontwikkeling zal ook bijgedragen hebben aan het enigszins in de vergetelheid raken van de zeeheld bij het grote publiek.
Volkshelden Dat was bepaald niet het geval bij het zeventiende-eeuwse “grote publiek.” Dat publiek aanbad zijn admiraals als ware volkshelden. Het waren dan ook tijden van vrijwel permanente oorlog of oorlogsdreiging waarin bij de mensen behoefte ontstond aan een verlosser, een held die hen voorgoed van de vijand zou kunnen bevrijden. Daarom heerste er een heuse zeeheldencultus. Dat uitte zich bijvoorbeeld in vele pamfletten en gedichten waarin bekende (Vondel) en minder bekende dichters de loftrompet staken over mannen als Van Heemskerck, Tromp, Hein en De Ruyter. Ook schilders kozen veelvuldig de zeehelden en hun daden tot onderwerp en bovendien verschenen er prenten met zeeheldenportretten en zinnebeeldige voorstellingen in hoge oplagen. Herbergiers en winkeliers brachten opschriften, uithangborden en geveltekens aan die verwezen naar deze populaire “redders van het vaderland.” Zilveren gedenkpenningen werden geslagen terwijl handwerkslieden voorwerpen van porselein en aardewerk, koper en tin verfraaiden met hun beeltenissen.

Zilveren triomfpenning voor de Zeeslag bij Duins. Vervaardiger: Johannes Looff, 1639. Collectie Rijksmuseum.

Gedenkpenning voor Egbert Kortenaer, luitenant-admiraal van Holland en West-Friesland. Keerzijde: vier gezagvoerders ter zee: Tromp, Hein, Heemskerck en Van Galen, gezeten aan tafel. Vervaardiger: Wouter Muller, 1665. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.
Gewone komaf Die populariteit hadden de zeehelden, behalve aan hun daden, ook te danken aan hun gewone komaf. Van oorsprong waren marineofficieren, net als die van het landleger, van adel. Dat was nog zo aan het begin van de zeventiende eeuw. Maar steeds vaker drongen ervaren, talentvolle kapiteins van lage komaf door tot de hoogste regionen van de zeestrijdkrachten. Jacob van Heemskercks’ vader bijvoorbeeld was touwslager en die van Michiel de Ruyter van beroep zeeman en later bierdrager. Egbert Kortenaer was zoon van een soldaat. Veel zeehelden kwamen uit families van schippers en kapiteins. Rotterdammer Aert Jansse van Nes stamde ook uit een familie van zeelieden. Hij en zijn broers dienden, net als hun vader en grootvader, bij de admiraliteit (marine). Al op jonge leeftijd gingen ze naar zee. Aert van Nes was elf jaar toen hij aanmonsterde. Het feit dat gewone jongens van lagere komaf roem en rijkdom wisten te vergaren, sprak zeer tot de verbeelding van de bevolking. Die kon zich met zulke eenvoudige jongens gemakkelijker identificeren dan met adellijke heren die hun positie gewoon cadeau hadden gekregen.
Tijdens de Nederlands-Engelse Oorlogen bestond in de hoge adellijke rangen van de Engelse marine grote minachting voor die lage afkomst van de Nederlandse vlagofficieren. Verslagen worden door “die kooplui en vrachtvaarders” was een doorn in het oog van de Engelse lords.
Vreugdevuren De lotgevallen van de vloot en zijn opvarenden stonden bovendien niet ver af van de bevolking van de Republiek. Die kon soms zeeslagen letterlijk meebeleven: het kanongebulder van de slag bij Lowestoft (1665) was tot in Den Haag te horen en de Slag bij Kijkduin (1673) werd door een grote menigte in Den Helder vanaf het gelijknamige duin gevolgd. Die betrokkenheid uitte zich ook in drommen toeschouwers op de kade bij terugkeer van de succesvolle vloot, in vreugdevuren en dankgebeden in kerken maar ook in verdriet als het nieuws doordrong van het sneuvelen van een zeeheld. Na de dood van de Rotterdamse viceadmiraal Egbert Kortenaer in 1665 zag een Engelse ooggetuige overal in de straten van de stad huilende mensen. Datzelfde Rotterdamse volk had ruim tien jaar daarvóór woedend en tierend het huis van een Engelse of Schotse weduwe geplunderd, die het waagde kwaad te spreken over de gesneuvelde admiraal Tromp.

Nachtelijk gevecht tijdens de zeeslag bij Kijkduin, 21 augustus 1673. Vervaardiger: Willem van de Velde (II), 1675. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Portret van Maarten Harpertsz. Tomp met zeeslag 1650-1700. Vervaardiger: ME van H.. Collectie Museum Rotterdam.
Bekenden Een van de redenen waarom de bevolking van de Republiek zo meeleefde met de vloot was omdat deze haar moest bevrijden van Spaans geweld, van de Engelse dreiging en nog later, in het befaamde rampjaar 1672, van de agressie van de Engelsen en Fransen tegelijk (en van de bisdommen Münster en Keulen, maar die vielen alleen over land aan). Bovendien was men gefocust op de vloot vanwege familieleden en bekenden die zich vaak onder de bemanning bevonden. Zeventiende-eeuwse vloten waren uitgerust met enorme bemanningen. Tijdens de slag bij Lowestoft (13 juni 1665) bestond de vloot van opperbevelhebber Van Wassenaer Obdam uit onder andere 103 oorlogsschepen met meer dan 21.000 matrozen en zeesoldaten (die laatsten maakten onderdeel uit van een in 1665 opgericht regiment, later bekend als het Korps Mariniers). Op de toenmalige bevolking van 2 miljoen was dat een enorm aantal. Vooral in de kustprovincies zal bijna iedereen iemand gekend hebben die meevoer. Daar droeg aan bij dat, om genoeg bemanning voor de oorlogsvloot te krijgen, de Staten-Generaal tijdens de oorlog een uitvaarverbod voor de visserij en de handelsvloot afkondigden, zodat zeelui zich bij gebrek aan inkomsten gedwongen zagen zich bij de oorlogsvloot te melden. De 5000 doden, gewonden en gevangenen die het resultaat waren van deze verloren slag bij Lowestoft, veroorzaakten derhalve verdriet, teleurstelling en woede bij de bevolking.
Praalgraf Maar niet alleen het volk, ook de regering liet zich niet onbetuigd als het ging om lof en eerbetuigingen aan zeehelden die zich hadden onderscheiden. Zij kregen gouden medailles, zilveren bekers, schalen of fluitjes uitgereikt . Ook keerden de Staten-Generaal aan succesvolle officieren geld uit, of een aandeel in de buit. Weduwen en wezen van de gesneuvelde zeehelden ontvingen een jaargeld. Die gulheid had een reden: populaire zeehelden vormden uitstekende propagandamiddelen. De successen van de Nederlandse vloot tegen de Spanjaarden en de Engelsen werden symbolisch voor de macht van de jonge Republiek en het vertrouwen in de toekomst.
Het mooiste eerbewijs dat de regering kon geven aan zijn officieren was een plechtige, door de staat gefinancierde begrafenis en een marmeren praalgraf op staatskosten. Dit voorrecht was alleen weggelegd voor in vol gevecht op zee gesneuvelde officieren. De meesten van hen zagen omkomen op zee trouwens als de enige juiste en eervolle afsluiting van hun loopbaan. Aert van Nes liet het op dit terrein afweten, als één van de weinige zeehelden. Hij stierf gewoon in zijn bed, op 14 september 1693, nadat hij de laatste 20 jaar van zijn leven aan wal had doorgebracht. Daarom was er voor hem geen staatsbegrafenis, ondanks zijn succesvolle carrière. Deze situatie verklaart Van Nes’ geringere bekendheid als zeeheld. Hoewel hij in de Grote of Sint-Laurenskerk werd begraven, was dat in een gewoon graf en niet in een praalgraf, zoals zijn collega’s en stadsgenoten Egbert Kortenaer en Witte de With.

Prent bij de "Waerachtige Beschrijvinge Van de Zee-Slagh, voorgevallen op den 13, 14 en 15 Juny 1665" (zeegevecht voor Lowestoft), 1665. Vervaardiger: anoniem. Collectie Rijksmuseum.

Praalgraf van Egbert Meeusz. Kortenaer in de Rotterdamse Laurenskerk. Kortenaer kwam om bij de Slag van Lowestoft. Vervaardiger: Rombout Verhulst (1624-1698). Het monument werd tijdens het bombardement van 14 mei 1940 ernstig beschadigd. Na de oorlog is het gerestaureerd. Foto: Wikimedia Commons.

Prent van hetzelfde Praalgraf, 1830-1832. Vervaardiger: David Moens. Collectie Rijksmuseum.
Een eerdere versie is gepubliceerd in "Ons Rotterdam."
Wordt vervolgd:
Wie waren de zeehelden en wanneer waren ze actief?internal://879eb4bc-076c-4b42-bc37-7f2d093da507
