Kermis in de 19de eeuw - 9

 

Net Echt-3

 

 

Door Anna Horsthuis

 

 

 

Diorama’s

 

 

Op een “beweegbaar” panorama bewogen de geschilderde beelden zelf natuurlijk niet. In de jaren dertig en veertig en van de negentiende eeuw dook er evenwel een nieuwe attractie op die “diorama” werd genoemd en die de toeschouwers beelden voorschotelde die wél bewogen. Deze verbazingwekkende attractie, in een tijd waarin noch fotografie, noch film bestond, was in 1823 uitgevonden door kunstenaar en uitvinder Louis Daguerre, specialist in belichtingseffecten voor het theater, en Charles Marie Bouton, schilder van onder andere panorama’s.

 

Voortjagende wolken                                                                                                                                      De basis van het diorama was een groot transparant doek dat aan beide zijden deels dekkend, deels doorschijnend was beschilderd. Het zonlicht moest eerst van voren en vervolgens van achteren op het doek vallen en werd gemanipuleerd via een ingewikkeld systeem van dakramen, spiegels, schermen en gekleurd glas. Bepaalde delen van het schilderij die eerst verborgen bleven, lichtten hierdoor op terwijl andere delen weer verdwenen. Dit effect werd versterkt doordat de toeschouwers vanuit een donkere ruimte door een 13 meter lange donkere tunnel naar het doek keken.  

Het publiek zag bijvoorbeeld een landschap dat veranderde, waar de dag geleidelijk over ging in de nacht, of waar nevels en wolken voortjoegen, een onweer zich ontlaadde of een waterval naar beneden stortte. Objecten op het doek veranderden van kleur, verschenen of verdwenen weer. De weergave was zo geraffineerd en het effect zo subtiel, dat de toeschouwers ervan overtuigd was naar een natuurlijk tafereel te kijken. Daguerre en Bouton, die een patent op het dioramaprocédé namen, stuurden de diorama’s op reis naar de Europese hoofdsteden en lieten bovendien in Parijs een speciaal dioramagebouw neerzetten, dat een enorm succes was. Publiek stroomde van heinde en verre toe om die wonderlijke bewegende beelden te aanschouwen.  Een van de meest succesvolle voorstellingen was “Een middernachtmis in de kerk St. Etienne-du-Mont.” Bezoekers van dit diorama zagen een kerk vol daglicht, waarin het geleidelijk donker werd, kaarsen werden ontstoken en de banken zich vulden met kerkgangers. Dit alles onder begeleiding van orgelmuziek. 

 

Portret van Louis Jacques Mandé Daguerre, 1845-1851. Collectie Rijksmuseum.

Zicht op een diorama van Daguerre en de manier waarop de belichting van het doek kon worden veranderd, 1869. Uit: Figuier, Les Merveilles de la Science, 1867-1891. Wikimedia Commons.

Dioramagebouw van Daguerre en Bouton in Parijs. Gravure van rond 1870. Wikimedia Commons.

"Tafreelen à la Daguerre”                                                                                                                              Helaas brandde het Parijse dioramagebouw in 1839 volledig af. Voor Daguerre was het hoofdstuk daarmee afgesloten; hij begon zich toe te leggen op de ontwikkeling van de “daguerréotype,” de oudste vorm van fotografie. Maar het succes van zijn diorama smeulde nog enkele decennia na, bijvoorbeeld op de kermis, waar de attractie in de jaren veertig en vijftig van de negentiende eeuw een grote publiekstrekker was. Vaak teerden de exploitanten op de roem van Daguerre’s diorama. Al in 1837 was er een te bewonderen op de Rotterdamse kermis, in het “Kabinet d’Illusions,” van P. Martin, geplaatst op het Nieuwe Plein. Zijn “Diorama of beweegbare Panorama,” was een “nabootsing van het groot Diorama, dat thans in Parijs met veel genoegen bezocht wordt,” schreef hij in een advertentie in de Rotterdamsche Courant. Tijdens de Rotterdamse kermis van 1842 was Martin aanwezig met “een groot Diorama van verscheiden Tafereelen, geschilderd door den beroemden Parijschen schilder de Heer Philastre, naar Daguerre.” Het “Théâtre Pittoresque”van de gebr. Ouvriers uit Parijs, dat in 1841 de Rotterdamse kermis aandeed, toonde “Nieuwe Kunst-Tafreelen à la Daguerre.”(Rotterdamsche Courant). Het “Diorama van Parijs” bracht Rotterdammers in 1941 zelfs een middernacht-mis.

 

Hevigen plasregen                                                                                                                                          Kermis-diorama’s hadden veelal landschappen en stadsgezichten als onderwerp. Uit een kermis-advertentie in de Utrechtse provinciale en stads-courant blijkt dat Martins diorama in het jaar 1842 de “Stad Venetien” voorstelde. In dezelfde advertentie legde Martin het “sijstema van de heer Daguerre” uit: “Deze  schilderkunst onderscheidt zich van alle andere, daar men door het toebrengen van het Licht, op een en hetzelfde doek verscheidene kleuren, figuren en personen tevoorschijn komen ziet, welke men vroeger niet heeft kunnen opmerken.” Dat het Rotterdamse publiek onder de indruk was van de nieuwe attractie blijkt uit een enthousiaste bespreking van “Meisers Diorama” in de Rotterdamsche Courant van 12 augustus 1852. Dit diorama, geplaatst achter de Beurs, kwam met een gezicht op de kust van Zweden en drie gezichten van de Rijn: “de tafereelen zijn zeer fraai geschilderd,” aldus de krant, “ terwijl op treffende wijze het opgaan der zon, het opkomen der maan enz. wordt voorgesteld; het nabootsen van een onweder, gepaard van een hevigen plasregen, is zoo natuurlijk dat de bezoekers van het schouwburg-lokaal een oogenblik in den waan verkeeren dat het buiten zwaar weder is en zich gelukkig achten zoo veilig te zitten.” De Nieuwe Rotterdamsche Courant was eveneens positief: “Degenen, die nimmer de Duitsche Rijnstreken bezochten, krijgen in dit Diorama een juist denkbeeld van het karakter des lands […].” De voorstelling begon elke avond om half zeven.        

Enige overgebleven diorama van Louis Daguerre, in de kerk van Bry-sur-Marne in Frankrijk. Wikimedia Commons.

 

Moord op een bakkersvrouw                                                                                                                  Diorama’s waren bovendien geschikt om recente nieuwsfeiten, zoals plechtigheden, branden, aanslagen en moordpartijen op een dramatische manier uit te beelden. De gebroeders Ouvriers vertoonden op de Rotterdamse kermis van 1841 de herbegrafenis van Napoleon Bonaparte in de Dôme des Invalides te Parijs. Die plechtigheid had aan het einde van 1840 plaatsgevonden, negentien jaar na de dood van de keizer op Sint Helena.  Het Diorama van Parijs, geplaatst op de Nieuwemarkt, toonde in datzelfde kermisjaar onder andere de brand van Moskou uit 1812, het overblijfsel van Napoleon op Sint-Helena en de Place Vendôme te Parijs, “op het oogenblik der inhuldiging van het Standbeeld van Napoleon.” Dit alles met “verschillende uitwerkingen van licht als overgang van Dag tot Nacht en van Nacht tot Dag,” aldus een advertentie in de Rotterdamsche Courant.  Tijdens de kermis van 1852 stond op het Nieuwe Plein een “Groot Diorama” genaamd “Kabinet der Nieuwste Gebeurtenissen,” waar, aldus de aankondiging in de Nieuwe Rotterdamsche Courant, “de Belangrijkste gebeurtenissen in 1851 en 1852 voorgevallen” te zien waren, als in een ware voorloper van het Polygoonjournaal. Toeschouwers konden er bijvoorbeeld herbeleven hoe het Engelse raderstoomschip Amazon in brand was gevlogen, op 4 januari 1852; een ongeluk waarbij 104 opvarenden waren gesneuveld. Ook kon men getuige zijn van een aanslag op het leven van de Spaanse koningin Isabella in 1852. Een ander diorama van dezelfde uitbater betrof de veel besproken moord op een bakkersvrouw in de Amsterdamse Kalfjeslaan, begaan op 17 augustus 1851 door een zekere Jan Slotboom. Het geval was berucht omdat de moordenaar volhield dat de vrouw hem had omgekocht om haar te doden! Een andere moordaanslag, op de Franse keizer Napoleon III, gedateerd op 14 februari 1858, was in augustus van datzelfde jaar al in het Diorama van Gropius op de Rotterdamse kermis te bekijken. 

 

Cosmorama’s en stereoscopen                                                                                                                         Naast panorama’s, cyclorama’s en diorama’s doken er af en toe andere -orama- ( Grieks voor “het geziene”) varianten op tijdens de negentiende-eeuwse kermis. Bijvoorbeeld het cosmorama, een attractie waarbij het publiek schilderingen van veelal vermaarde plaatsen en landschappen in de wereld kon aanschouwen. De schilderingen werden verlicht door kunstlicht en bekeken door vergrootglazen, waardoor een groter realisme ontstond. Op de kermis van 1820 was in Rotterdam een cosmorama  “bestaande uit 14 Hoofdsteden van Europa” te zien, vervaardigd door kunst- en decoratieschilders A. van Glashorst Junior en C. de Bruin, terwijl in 1837  een “Japansch- Chineesch Cosmorama” op de Grootemarkt stond opgesteld, waarin zich acht tableaus bevonden, geschilderd “door de verdienstelijke Schelfhout en van Hove,” aldus de annonce in de Rotterdamsche Courant. Verwant aan het cosmorama waren de stereoscopen waarmee Antonie Crassé bijvoorbeeld in 1861 op het Boymansplein stond. Bezoekers die in zo’n stereoscoop keken, zagen bijvoorbeeld een stadsgezicht in drie dimensies. Deze optische instrumenten waren te vergelijken met de moderne viewmaster, waarin het oog twee naast elkaar liggende beelden tot één driedimensionaal beeld verenigt. 

Le dyorama port de Boulogne, 1825. Vervaardiger: Jean-Henri Marlet. Collection Bibliothèque nationale de France.

Rechthoekige stereokijker, ook bekend als Brewster stereoscoop, 1850-1870. Collectie Museum Rotterdam.

Virtual reality                                                                                                                                                        Gemene deler van al deze vermaken was het creëren van een werkelijkheidsillusie. Ze voldeden aan het verlangen naar een ervaring van echtheid bij het negentiende-eeuwse publiek. Het verst daarin ging een bewegend panorama genaamd “pleorama,” bedacht door de Duitse archtitect Langhans. In 1831 bouwde hij een exemplaar in het Duitse Breslau (tegenwoordig Wroclaw in Polen): toeschouwers zaten in dit pleorama op een schommelende “boot,” terwijl aan beide kanten bewegende panorama’s van de baai van Napels voorbijschoven. Het schommelen werd veroorzaakt door een stevige stang die op en neer bewoog en waar het platform op rustte. Licht- en geluidseffecten completeerden het geheel. Op de Parijse wereldtentoonstelling van 1900 werd dit pleorama geperfectioneerd tot een “mareorama,” waarin het publiek een soort “virtual reality” beleefde: men stond op een stampend en rollend bootdek terwijl het uitzicht zich aan beide zijden ontvouwde; de perfecte illusie van een bootreis. Rotterdamse kermisklanten konden in 1858 in de tent van Dessort ook een “groot beweegbaar pleorama” ervaren, namelijk van een “reis te water van Quebec tot aan de Noordpool.” Een jaar later stond Dessort op de Groote Markt met een “reusachtig Pleorama” voorstellende “de Gezigten op Amerika, op eene nog nimmer geziene wijze, even alsof men vanuit een luchtballon, als het ware boven Amerika zwevende, de voornaamste landstreken en steden in vogelvlucht beschouwt,” aldus de annonce. Wat het verschil was tussen Dessorts beweegbare pleorama’s en zijn beweegbare cyclorama’s, die hij tegelijkertijd tentoonstelde op de kermis , is helaas niet af te leiden. Was er sprake van een beweegbaar toeschouwersplatform, of schoven de doeken aan twee kanten langs het publiek? In ieder geval was dat publiek zeer enthousiast. “Het pleorama mag onder de beste gerangschikt worden die hier te stede ooit zijn vertoond,’” schreef de Nieuwe Rotterdamsche Courant in 1859. Een Amsterdamse krant schreef in 1857 over Dessorts pleorama: “dit alles wekt op den betooverden aanschouwer aller verrassendst en laat bij hem den indruk achter, als hadde hij alles in de natuur zelve voor ogen gehad.” 

Illustratie van het mareorama op de Parijse Wereldtentoonstelling van 1900. Bron: Scientific American. Wikimedia Commons.

Kinematografie                                                                                                                                                 Pleorama’s en cyclorama’s, panorama’s en diorama’s zijn met recht als voorlopers van de film te beschouwen. De eerste echte filmpjes of “levende photografiën” verschenen aan het einde van de negentiende eeuw. Het publiek kon ze op de kermis bekijken bij de reizende “kinematograaf.” Deze kinematograaf, of cinematograaf, voorloper van de filmprojector, was in 1895 uitgevonden door de Franse gebroeders Lumière, die daarmee de kinetoscoop uit 1891 van de Amerikanen Edison en Dickson verbeterden.

 

Leeuwarden had de primeur; in de Friese hoofdstad was de revolutionaire nieuwe attractie voor het eerst in Nederland te aanschouwen. De  Friese kermisondernemer George Christiaan Slieker presenteerde in juli 1896 zijn kinematograaf aan het verbaasde kermispubliek. Het kreeg een bokswedstrijd, een vechtpartij in een herberg en een “gekleurde opname van een danseres met trillend kleed” te zien. Een maand later al stond Slieker met deze “Levensgrote Levende Beelden” op de Rotterdamse kermis, aan de Goudscherijweg. Het publiek kon tijdens die kermis ook kiezen voor “Cinématographe Werner,” die zijn “Levende Photografiën in kleuren” van scenes in Parijs vertoonde in een lokaal boven de Passage. Het populaire nieuwe vermaak verspreidde zich razendsnel buiten de kermis. Rotterdamse variététheaters, zoals het Casino-Variété van Soesman aan de Coolsingel en het Circus-Variété van Carl Pfläging aan het Stationsplein, namen de nieuwe vondst nog voor het einde van de negentiende eeuw over en besloten hun variété-avonden vanaf die tijd met filmvoorstellingen. Niet veel later sprongen gespecialiseerde filmtheaters, de bioscopen, als paddenstoelen uit de grond. In 1913 bezat Rotterdam er al zeventien!

 

De komst van de kinomatograaf betekende de nekslag voor de -orama’s; zowel op als buiten de kermis. Die typisch negentiende-eeuwse geschilderde vermakelijkheden waren niet opgewassen tegen zoveel fotografische echtheid. Ze raakten, op een aantal vaste panorama’s na, grotendeels in de vergetelheid. Ook het begrip diorama gebruiken wij nog slechts om een soort kijkkast aan te duiden, zoals je die wel in musea ziet.

Sprekende bioscope Albert Frères, 1904-1910. Collectie Stadsarchief Rotterdam.

Casino-Variété, affiche 1899-1913. Collectie Stadsarchief Rotterdam.

Information icon

We hebben je toestemming nodig om de vertalingen te laden

Om de inhoud van de website te vertalen gebruiken we een externe dienstverlener, die mogelijk gegevens over je activiteiten verzamelt. Lees het privacybeleid van de dienst en accepteer dit, om de vertalingen te bekijken.