Amusement-2
Door Anna Horsthuis
Theater en variété
Theater speelde een grote rol op de negentiende-eeuwse kermis. Het aanbod was enorm: kluchten, melodrama’s, pantomimes, vaudeville-stukken, balletten, tableau-vivants, poppentheater en variété-acts (acrobaten, jongleurs, koorddansers, clowns e.d.). Voorstellingen vonden niet alleen plaats in, voor de duur van de kermis, opgebouwde (houten) tenten, maar ook in de vaste theaters en zalen van de stad. Kenmerkend voor de stukken en nummers die werden opgevoerd was hun luchtige en vrolijke karakter.
Grote Schouwburg aan de Coolsingel, 1887. Collectie Stadsarchief Rotterdam.


Poppentheater. Nieuwe kinderprenten 1838-1892. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.
Kermisstukken
Schouwburgen in de stad, zoals de Nieuwe Schouwburg aan de Kruiskade, de Groote Schouwburg aan de Coolsingel (later Tivoli-theater) of vanaf 1884 de Groote Schouwburg aan de Aert van Nesstraat, staakten tijdelijk hun serieuze repertoire en brachten zogenaamde “kermisstukken.” Aldus was er in 1855 aan de Coolsingel “Oost, West, Thuis Best, of de Reizen van een Hollandsche Kapitalist” te zien; een “Groot Toover-Kluchtspel met Coupletten, Duo’s, Koren, Dansen en Groeperingen, in 5 Tafereelen.” In 1860 kwam het publiek in grote getale naar dezelfde Schouwburg voor het melodrama “De Schipbreuk van La Peyrouse;” dat, aldus de advertentie “exceptionele dramatische toestanden” bracht, en “levendige tooneelen, waarin wilde Indianen met hun vreemde karakteristieke dansen geen geringe rol spelen.” In augustus 1882 trok het “groot Kluchtspel in vier afdeelingen” met de titel “Tussen Twee Vuren, of een Bruidegom met twee Bruidjes” veel kijklustig publiek naar de Groote Schouwburg, terwijl in 1889 het kermisstuk “De Schoone slaapster in het Bosch,” eveneens een “tooverkluchtspel,” volle zalen trok in de Aert van Nesstraat.
Hoewel de elitaire toneelcitici voor dit soort stukken maar weinig waardering konden opbrengen, hadden ze tijdens de kermisweek de gewoonte een oogje toe te doen: “Ware het thans het gewone speelsaisoen;” schreef een recensent van de NRC in 1850 over de in dat jaar vertoonde kermisstukken, “ik zoude mij verpligt achten een ernstig woordje over beide stukjes in het midden te brengen. Thans is het echter kermis en wanneer het publiek zich maar amuseert en lacht, dan dient de nauwgezette critiek wel een weinig minder nauwgezet te worden […].” Een kermisstuk is tenslotte “meer bestemd om het oog dan wel het oor te boeijen” dan om de geest uit te dagen. En dus schreef het Rotterdams Nieuwsblad in 1890 waarderend over de “Kleurige decoratiën en costumes, welgeslaagde changements à vue, vroolijke bekende muziek” en “goedgeregelde balletten” in het kermisstuk “Aladyn of de Wonderlamp.”
Toneelstuk tijdens kermistijd in de Tivoli-schouwburg,
augustus 1895. Collectie Stadsarchief Rotterdam..

Vaudevilles
Immens populair op de kermis rond het midden van de negentiende eeuw waren eveneens de zogenaamde vaudevilles: korte, humoristische toneelstukken waarin satirische liedjes op bekende melodieën werden verweven. Critici beschouwden deze vorm van toneel evenmin als ware kunst; het was in hun ogen plat vermaak voor de man van de straat. Vaudevilles boden geen diepgaande verhaallijnen noch idealistische boodschappen, maar behandelden thema’s die gewone mensen bezig hielden, zoals het huwelijk of het verweven van rijkdom. Helden in deze stukken waren geen koningen of mythische figuren, maar kantoorklerken, dienstmeisjes, winkeliers of kooplieden die onverwachte tegenslagen het hoofd moesten bieden.
Niettemin ontvingen de Amsterdamse toneelgezelschappen die zich toelegden op vaudevilles, zoals de “Salons des Variétés” van Duport en het gezelschap van Boas & Judels, vaak gunstige recensies. Tijdens de Rotterdamse kermis plaatsten zij hun schouwburg-tenten op centrale plekken in de stad, zoals op de Groote Markt, of aan de Noordblaak. De “kluchtige vaudevilles” die er met veel succes opgevoerd werden, hadden titels als: “Wat is het ook gevaarlijk als men geld heeft,” “De Bloedzuigers of een Minnehandel in de Apotheek,”(1855) “Eene Jonge Huishoudster bij twee oude Heeren” en “Het hoertje van Knollendam of de Secretaris van Mevrouw”(1869).
Vaak bestond een voorstelling uit verschillende stukken. Acteurs dienden daarom een uitgebreid repertoire te kennen en bovendien goed te kunnen zingen. In 1844 schreef de Nieuwe Rotterdamsche Courant dat “[…] de troep van de heer Duport uit zeer goede Sujetten […] is zamengesteld, zijne tent uitmuntend is ingeright, en zoo fraai, dat men niet zou vermeenen in eene tent maar in eene sierlijke zaal te zijn gezeten.” ”Wie eens hartelijk lagchen wil;” aldus een recensent in 1856, “verzuime nooit om tijdens de kermis, […] de tent van Boas en Judels te bezoeken.” Veel bewondering was er voor het spel van de “parel van het gezelschap,” directeur Judels zelf. Nathan Judels was een in die dagen zeer populaire toneelspeler en hooggewaardeerd komiek.
Jongleur en acrobaat, Nieuwe kinderprenten 1838-1892. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.
Figuranten van het tableau-vivant van het kluchtspel "Frans Hals" van F. van Eeden, uitgevoerd door het Aestetisch Genootschap tijdens het tienjarig jubileum, 1895. Collectie Stadsarchief Rotterdam.
Pantomime en tableau vivant
Andere geliefde theatervormen op de kermis waren de pantomime (gebarenspel onder begeleiding van muziek en dans, maar ditmaal zonder paarden) en het “tableau vivant.” Hierbij beeldden spelers, zwijgend en stilstaand in karakteristieke poses, een historische gebeurtenis of een bijbelse passage uit, een schilderij of een allegorie. Rotterdamse kermisgangers konden voor dit soort voorstellingen terecht bij gezelschappen als de Engelsche Pantomimisten (1844), het Grand Elysium Théâtre (1855), of Krosso’s Théater (1865). Zij streken neer op de Grote- of Erasmusmarkt met - zoals de krantenadvertenties het brachten - “collossale, door Gaz verlichte” tenten; “fraai ingerigt” en gedecoreerd en voorzien van een “goed bezet Orchest. ”
Théâtre Krosso beschikte over een “schitterende” troep van veertig artiesten in “kostbare en prachtvolle Costumen.” Zij brachten naast “verrassende Tableaux Vivants of Galerijen van Levende Beelden en Zwevende Groepen” ook acrobatiek, of wel: “Atletische, Acrobatische, Gymnastische [en] Karakteristieke Krachtsontwikkelingen.” Het Grand Elysium Théâtre kwam in 1855 met een “Groot Gymnastisch en Pantomimisch Gezelschap” van 45 personen uit Londen. Zij vertoonden het “Komieke Pantomime in twee Acten;” genaamd: “Arlequin Wilddief of Pierrot in Vertwijfeling.” Ook was er een “Wereldberoemde Amerikaansch Luchtdansers-Familie” te bewonderen. Een verslaggever van de NRC was in 1844 zeer onder de indruk van de Engelsche Pantomimisten en vond dat er “nimmer nog zulk een vlugheid, spierkracht, buigzaamheid der ledematen nog uitmuntend dansen hier is gezien geworden.” In 1868, na het zien van Krosso’s artiesten, kwam de krant met de volgende associatie: “sedert men allerlei zaken, van sigarenpijpjes tot roeischuitjes toe, van caoutchouc [rubber] vervaardigt, kwamen […] ook caoutchouc-mensen tevoorschijn […].”
Portret van toneelspeler Nathan Judels (1814-1903), 1860. Vervaardiger: Taurel, C.E. Rochussen. Collectie Stadsarchief Amsterdam.



Carrousels Kermis bestond in de negentiende eeuw niet alleen uit kijkwerk. De bezoeker kon zich er ook op een meer actieve manier amuseren. De Rotterdamse kermis van 1878 bood “eenige tirs de salon” (schietsalons), ballententen, vélocipèdes, en maar liefst tien carrousels. Die laatste - ook draaimolens of mallemolens
genoemd – groeiden uit tot hét symbool van de kermis. Ze waren vooral bij de lagere standen en bij kinderen enorm populair. Hoewel de hogere standen zich er gewoonlijk te goed voor voelden, wees het Rotterdamse tijdschrift Arlequin zijn beschaafde publiek tijdens de kermis van 1822 op een “fatsoenlijke mallemolen” aan de Delftsche Poort, geplaatst in een tent, waarin ook een eerbaar persoon een ritje kon wagen. Naarmate in de loop van de negentiende eeuw de techniek vorderde, verschenen er op het jaarlijkse feest steeds meer draaimolens en variaties daarop, zoals de velocipède-carrousel en de zweefmolen.
Gezicht op de viering van de laatste Rotterdamse kermis, 1908. Vervaardiger: Henri Berssenbrugge. Collectie Stadsarchief Rotterdam.

Houten paardjes
Het houten paard is de essentie van de carrousel. Gezeten op zo’n rijk versierd en fraai beschilderd exemplaar kon de berijder zich even van adel wanen. Paardrijden was per slot van rekening voorbehouden aan de hogere standen. De “garosello,” waar de carrousel of draaimolen van afstamt, was een van oorsprong Arabisch ridderspel dat door kruisridders naar Europa was gebracht. Aan de hoven van Frankrijk en Italië ontwikkelde de “carrousel” zich tot een sportief ruiterspektakel: een mengsel van een parade met spectaculair uitgedoste paarden en hun berijders, een toernooi en een ringsteek-wedstrijd. Lodewijk XIV van Frankrijk organiseerde in 1662 een spectaculair en uitbundig “Grand Carrousel.” In die zelfde tijd duidde men met het woord carrousel ook de constructie aan waarmee jonge edellieden konden oefenen in het ringsteken: houten paarden en wagens, opgehangen via kettingen aan balken in een stervorm, die om een spil konden draaien. Niet veel later gingen ook de dames van het hof zich ermee te vermaken.
Rond 1700 verschenen er voor het eerst carrousels op kermissen. Echte paarden of ezels trokken die vroege draaimolens aan de binnenzijde rond. De dieren kwamen daar terecht door een deel van de vloer op te lichten. Glanzende koperen stangen verbonden de vloer aan de balken, die ter versiering werden bedekt met rijk bewerkte en met kralen versierde kleden. Op die vloer waren behalve uitbundig gedecoreerde houten paardjes ook steeds vaker fraai bewerkte gondels gemonteerd. Voor muziek tijdens de rit zorgde een oorspronkelijk met de hand gedraaid orgel binnenin de molen. Verlichting bestond uit vetpotjes en later uit olielampen.
Carrousel op de Veemarkt, 1900. Collectie Stadsarchief Rotterdam..


Twee ruiters uit het gevolg van de prince de Condé, die onderdeel uitmaakten van het door Lodewijk XIV georganiseerde Grand Carrousel in het hof van de Tuilerieën, 1662. Vervaardiger: Israël Silvestre.


Eenvoudige draaimolens. Prentjes voorzien van moralistische rijmpjes. Boven uit: "Deez' Kermis-Prent bevat veel zaken, Om brave Kinderen te vermaken." Blad met twaalf voorstellingen van kermisvermaak 1828-1850, Stadsarchief Amsterdam. Onder uit: "Kleine schets kermisvreugd Rotterdam." Kermisprent, blad met 16 voorstellingen, ca. 1830-1840.
Salon-stoomcarrousel
Met de opkomst van stoommachines na 1850 verving men de dieren voor een mechanische aandrijving van de carrousel. Aan het einde van de negentiende eeuw dook de ultieme draaimolen op: de stoomcarrousel of salon-stoomcarrousel. Deze draaimolen stond binnen, in een grote salontent, en werd aangedreven door een stoomlocomobiel. De buitenkant van de tent bood een indrukwekkende, weelderig barok gedecoreerde façade. Behalve de carrousel met zijn deinende en prachtig versierde paarden en gondels, waren er in de salontent eveneens een buffet met tafeltjes en stoeltjes en een dansgelegenheid te vinden. De sfeer was er warm en luxueus. Vaak was er bovendien een - eveneens door de stoomlocomobiel aangedreven - cakewalk, met hindernissen als lopende banden en bewegende trappen. Éen kaartje verschafte toegang tot dit vermaakpaleis, waar het ook in de regen of ’s avonds goed toeven was. Befaamd waren de stoomcarrousels van Anton Benners en Hubert Wolfs; ze verschenen rond 1900 ook op de Rotterdamse kermis.
Hippodrome
Wie trouwens niet op een houten paardje wilde zitten maar op een echt paard, kon aan het einde van de negentiende eeuw terecht in een “hippodrome.” In 1890 was er een “Groot en Sierlijk” exemplaar opgesteld op het Veemarktterrein. Het Rotterdams Nieuwsblad beschreef deze attractie in 1898 als “een soort manege voor Jan-en-alleman waarin zes beestjes gereed staan om hun rug te leenen voor rijgrage kermisgangers.” De door draaiorgelmuziek begeleide attractie trok een groot kijklustig publiek: “Als met behulp van een paar knechts, dikke vrouwen op den rug van het makke paard waren geheeschen en deze sportieve amazones als een zak haver dooreen werden geschud, dan lag het publiek krom van den lach, ” schreef Hein Mol in zijn memoires. En viel zo’n rijdster van het paard, “dan was de pret volmaakt!” Ongelukken waren er nooit; de paardjes waren, aldus Mol, “van de meest zachtaardige soort.”
Publiek voor de ingang van een salon-stoomcarrousel. Collectie Museum Rotterdam.
Salon-stoomcarrousel op de kermis, 1900. Collectie Stadsarchief Rotterdam.



Voorzijde van een salon-stoomcarrousel, 1905. Collectie Stadsarchief Rotterdam.
Eerder gepubliceerd in "Ons Rotterdam"
Wordt vervolgd: Sensatie
