Amusement
Door Anna Horsthuis
Winkelen
Inkopen doen behoorde nog steeds tot de mogelijkheden op de kermis rond het midden van de negentiende eeuw. Noodzakelijke levensbehoeften trof men er niet aan, wel kramen met speelgoed, en nog enkele kramen met snuisterijen, luxe producten of buitenlandse afgewerkte artikelen. De gewoonte was om elkaar en de kinderen in de kermistijd iets cadeau te geven; “kermisgeschenk” en “kermiscadeau” waren bekende begrippen. Op de Rotterdamse Beursbrug stond volgens een advertentie in de Nieuwe Rotterdamsche Courant tijdens de kermis van 1860 een kraam waar “kermis-cadeaux” werden verkocht in de vorm van mahoniehouten stereoscopen (voorlopers van de Viewmaster) met platen uit onder andere China, Amerika, Egypte en Rusland. Wie “gemslederen” handschoenen, bretels of een portemonnee wilde schenken, kon op de kermis van 1868 terecht bij de kraam van Carl Wimpissingen uit Tirol. Deventer of Groninger sucade- en kruidkoeken, te koop bij kramen op de Zuidblaak en de Beursbrug, werden in 1900 aangeprezen als uitstekende kermiscadeaus. Ook Jaapje, de negentiende-eeuwse weesjongen uit het gelijknamige boek van Jacobus van Looy, kreeg en schonk cadeautjes tijdens de Haarlemse kermis. Zijn zus Door gaf hem een boek cadeau met de titel: ,,De kleine Savoyaard,” terwijl grootmoe van Jaap van zijn centjes een spiegeldoosje voor zijn vriendinnetje Leen kocht.
Prenthandelaar op de kermis, circa 1825-1850. Collectie Rijksmuseum.

De vaste winkelstand wist eveneens een graantje mee te pikken van het kooplustige publiek, door kermisaanbiedingen aan te kondigen of artikelen aan te prijzen als “kermisgeschenk.” Zo ook de papierwarenzaak van Bruininga & co aan de Hoogstraat, die in 1869 ter gelegenheid van de Rotterdamse kermis uitverkoop hield “van passerdozen en plaatwerken […] Maroquineriën en Papeteriën, en alles bijzonder geschikt voor Kermisgeschenken.”(Nieuwe Rotterdamsche Courant). W. Hulsman uit de Westewagenstraat meende in 1892 dat zijn gouden en zilveren horloges en uurwerken uitstekende kermiscadeaus waren. “Met ’t oog op de kermis, groote collectie kinderspeelgoederen te koop,” adverteerde een speelgoedwinkel in het Rotterdamsch Nieuwsblad van 1902. In dezelfde krant deed de firma J.W. Hessels aan de Zeevischmarkt de mededeling dat “Gedurende de Kermis Groote Opruiming van 10.000 stuks fonkelnieuwe 1ste klasse Harmonika’s […]” plaats zou vinden. Bakkerij Kriellaart trok in 1860 kermisgangers naar zijn zaak aan de Oppert door “drie monsterkoeken” te etaleren, met daarop “in suikerwerk eene afbeelding der stad Leijden.”
Handel op de kermis, 1811. Vervaardiger: Reinier Vinkeles. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Circus
Voltige
Een van de meest geliefde vermakelijkheden en misschien wel het middelpunt van de negentiende-eeuwse kermis, vormde het paardenspel. Die attractie bestond uit paardendressuur en kunstrijden. Bij dat laatste, ook wel voltige genoemd, sprongen de artiesten op en van een dravend paard en voerden allerlei acrobatische oefeningen op de rug van dat al of niet gezadelde paard. Dit spel kwam oorspronkelijk uit Londen, waar in 1768 een officier en paardrijd-instructeur genaamd Philip Astley was begonnen met demonstraties kunstrijden. Toen hij het rechthoekige, met touwen afgezette terrein waar de voorstellingen plaatsvonden verving voor een rond terrein, was de piste geboren. Men ging vervolgens van ‘cirque’ of ‘circus’ spreken toen er tijdens het paardenspel ook clowns, acrobaten en koordansers verschenen. Circusvoorstellingen werden vaak afgesloten met een groot spektakelstuk: het “hippodrama” of paardenpantomime, waarbij bijvoorbeeld historische veldslagen of taferelen uit de Griekse mythologie werden nagespeeld. Met het paard in de hoofdrol.
Portret van circusdirecteur Eduard Wollschläger, circa 1858-1863. Collectie Stadsarchief Rotterdam.


Käthchen Carré of Käthchen Gärtner alias de Rotterdamse Cornelia de Gast tijdens een voorstelling op het paard Juno, 1885-1862. Collectie Stadsarchief Rotterdam.
Wollschläger en Carré
In Rotterdam waren – net als elders in Nederland - rond het midden van de negentiende eeuw de circussen van de Pruisische Eduard Wollschläger en de uit een Frans/Duitse familie afkomstige Wilhelm Carré enorm geliefd. In 1856 schreef de Nieuwe Rotterdamsche Courant dat het publiek nog iedere avond de tent van de heer Wollschläger verliet “met den uitroep: zoo iets hebben wij nog nooit gezien.” De krant roemde “de gedresseerdheid der veelal zeer schoone paarden” en de “ongeloofelijkste kunstverrigtingen […] in welke kracht en bevalligheid als het ware wedijveren.” In 1863 nam Wilhelm Carré – die net als Wollschläger was begonnen als kunstpaardrijder - diens fraaie houten tent en inboedel over. Ook profiteerde hij van Wollschlägers goede reputatie. Wilhelms vrouw, genaamd Käthchen Gärtner, een in die dagen om haar talent, schoonheid en gratie geroemde kunstpaardrijdster, was in 1824 geboren als Cornelia de Gast in een Rotterdamse sloppenwijk. De zoon van Käthchen en Wilhelm, Oscar, zou in 1887 in Amsterdam het Circustheater Carré oprichten.

Interieur van de tent van het paardenspel op de kermis. Collectie gemeentearchief Amsterdam.
Kleine artiesten
Naast Wollschläger en Carré - circussen van hoog niveau die geliefd waren bij de hogere standen - bezochten vele andere circussen de Rotterdamse kermis in de negentiende eeuw. Zoals het English Circus, waar in 1855 de “Eerste kunstrijders uit Astley’s Amphithéâtre te Londen” te zien waren, of het Amerikaansch Circus dat in 1860 op de Nieuwe Markt stond en behalve paarden, een echte Amerikaanse gedresseerde stier vertoonde. Eveneens was op de Nieuwe Markt in 1857 het Cirque François Loisset te vinden, dat in zijn “Ronde Welingerigte Tent met prachtige “Gaz Verlichting,” “Groote Brillante” voorstellingen gaf bestaande uit “Exercitiën, Manoeuvres, Equestrische en Mimodramatische Scènes, Pantomimes, Balletten enz.” Het Cirque in Miniatuur van Dassie en Verdi, dat het publiek trakteerde op gedresseerde honden en apen, geiten en kleine paardjes, werd zeer geschikt geacht voor een jeugdig publiek. Dit circusje, dat in 1864 eveneens op de Nieuwe Markt geplaatst was, beschikte, behalve over kleine dieren, ook over zeer kleine artiesten: de kunstrijders en -rijderessen waren tussen drie en tien jaar oud!

Advertentie voor een voorstelling van Circus François Loisset in Amsterdam, 1855. Collectie Rijksmuseum.
Blanus
Wat eenvoudiger van opzet en goedkoper was het paardenspel van de Amsterdamse familie Blanus. Om die reden was Circus Blanus geliefd bij het gewone volk. In 1850 plaatste Blanus tijdens de Rotterdamse kermis zijn houten paviljoen op het Plein bij de gewezen Binnenwegschepoort. Vóór zijn “tent” was een soort bordes of estrade gebouwd, waarop artiesten en muzikanten zich aan het publiek voorstelden. “De pias overtreft zichzelf in grappigheid en de ”sterke man” verricht op de estrade van de tent, gratis, eenige verbazingwekkende toeren,” aldus Justus van Maurik in zijn Amsterdamse jeugdherinneringen aan Blanus (1901). Gezeten op paarden maakten Blanus’ artiesten vervolgens via de schuine loopplank een rondje over straat. Te midden van dit alles trad directeur Moses Blanus op als boniseur. Hij zag er indrukwekkend uit, aldus Van Maurik, met zijn hoge hoed, lange astrakan pelsjas met daaronder een roze tricot en zwart fluwelen broekje. Hij riep het publiek toe: “Allo allo, dames en heren, boeren en buitenlui, hier is de hippologische academie van Blanus.” “De grootste Potentaten van Europa en Azië hebben deze cirkus met derlui tegenwoordigheid vereerd - allo allo - plaatsen van tien, zes en vier stuivers en mooie staanplaatsen voor een dubbeltje!”
Het paardenspel van Blanus op de kermis, 1867. Vervaardiger: Reinier Craeyvanger. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Tent van Blanus en Dassie, 1870. Collectie Stadsarchief Amsterdam.

Eerder gepubliceerd in "Ons Rotterdam"
