Kermis

Een bezoek aan de Rotterdamse kermis in de negentiende eeuw

De Wonderen der Wereld

Door Anna Horsthuis

Kermis op het Hofplein, zomer 1842. Collectie Stadsarchief Rotterdam.

Inleiding

 

 

"Zullen we naar de kermis gaan?” Vooral bij kinderen roept dat voorstel grote blijdschap op. Als volwassene kan je je er ook best een paar uur vermaken, alleen al vanwege nostalgische herinneringen aan vroegere kermisbezoeken: rondjes on de draai- of zweefmolen, griezelen in het spookhuis, touwtje trekken met altijd prijs en na afloop een zoete, kleverige suikerspin. Maar als je de kermis een jaartje misloopt is dat ook geen ramp; we hebben zoveel vertier om uit te kiezen. Er zijn pretparken met veel meer attracties dan op de gemiddelde kermis. Je kunt naar de bioscoop, naar een toneel- cabaret- of dansvoorstelling. Er zijn musicals, voorstellingen van illusionisten en circussen.  Muziekliefhebbers kunnen kiezen uit tal van concerten en festivals. Wie iets op wil steken tijdens zijn uitje kan naar een dierentuin of naar een van de talloze musea. Nog leuker is het om op reis te gaan om nieuwe landschappen en culturen te ontdekken. Londen, Parijs, Wenen en andere Europese hoofdsteden vormen populaire weekendbestemmingen. En dan moet de zomervakantie nog beginnen, waarin we massaal over Europa en de wereld uitzwermen. 

 

De gemiddelde, niet al te rijke Rotterdammer had in de negentiende eeuw niet zoveel opties. In de stad bleef het vertier beperkt tot een bezoek aan de kroeg of tot een wandeling op zondag met het gezin. In een plantsoen bijvoorbeeld, of aan de groene stadsranden en misschien was er na afloop geld om iets drinken in een melksalon of theetuin.  De stad verlaten en reizen was voor de meeste mensen veel te duur en te omslachtig. Bovendien had men nauwelijks vrije tijd, laat staan vakantiedagen.                                                                           Toch had ook de negentiende-eeuwse mens behoefte aan vermaak en plezier, wilde hij of zij af en toe breken uit de sleur, zich verbazen, nieuwe dingen zien en zijn of haar horizon verbreden. Dat alles was mogelijk op de jaarlijkse kermis. Daar vond je, net als op de tegenwoordige kermis, draai- en zweefmolens, schiettenten en poffertjeskramen, maar dat was slechts het topje van de ijsberg! Je kon er het circus bezoeken, er waren pantomimeshows met clowns en acrobaten en voorstellingen van beroemde goochelaars. Je kon er een blijspel en een variété-show bekijken of een vaudevilletheater bezoeken. Er waren muziektenten en in vele stadscafé ’s traden muzikanten op en werden bals georganiseerd. Je kon er echte beren en aapjes tegenkomen en volledige menagerieën bekijken. Er waren galerijen met levensgrote, bewegende beroemdheden en het was er mogelijk om getuige te zijn van veldslagen, zeeslagen en andere historische, Bijbelse of juist meer recente gebeurtenissen. De liefhebber van menselijke en dierlijke anatomie kon er zijn hart ophalen of juist griezelen bij bizarre afwijkingen. Zelfs het maken van een reisje, naar Tirol bijvoorbeeld, of Napels, behoorde op de Rotterdamse kermis tot de mogelijkheden. 

Om kort te gaan, dit veelzijdige negentiende-eeuwse festijn was heel wat anders dan wat wij onder kermis verstaan. Daarom is het interessant om wat nader kennis te maken met dit fenomeen. Hoe is dit volksfeest ontstaan en waarom is het uiteindelijk weer grotendeels uit Rotterdam verdwenen? Maar bovenal: wát was er voor de negentiende-eeuwse Rotterdammer op dit grootse, jaarlijks terugkerende feest eigenlijk allemaal te zien, te horen en te beleven? 

Kermis op de Nieuwe Markt, zomer 1805. Collectie Stadsarchief Rotterdam.

Geschiedenis

 

 

 

Als het tegenwoordig kermis is in de stad, merk je daar als Rotterdammer nauwelijks wat van. De kermissen vinden immers flink buiten het centrum plaats, op een terrein aan de Müllerpier bijvoorbeeld, of in het Zuiderpark. Hoe anders was dat rond het midden van de negentiende eeuw! Geen enkele stadsbewoner kon er toen omheen, aangezien de kermis plaatsvond in een groot deel van de oude stadsdriehoek (het oude centrum), vooral op de grens van land- en waterstad en ten noorden daarvan. Vanaf het plein aan de Binnenwegse poort spreidde de kermis zich uit over de Soetensteeg, langs het Schielandshuis, over de Noord- en Zuidblaak tot aan het Oostvestplein (noordwestelijk van het huidige Oostplein). Noordelijk van deze lijn verspreidden de kramen, tenten en spellen van het feest zich over de Grote Markt, de Vlasmarkt, het Westnieuwland, de Nieuwe Markt en later het Hofplein. Tevens speelde de kermis zich af in de vele koffiehuizen, cafés en restaurants van de stad en eveneens in de uitspanningen buiten de stad. Daar konden kermisgangers  genieten van muziek, zang en variété-theater; ook kon er worden gedanst tot diep in de nacht en werden er speciale kermisbuffetten en -maaltijden geserveerd. In de schouwburgen waren ter gelegenheid van de kermis speciale toneelstukken te zien en sociëteiten  organiseerden grootse kermisconcerten en voorstellingen. “…de Rotterdamsche kermis, dàt was geheel iets anders, ”schrijft Hein Mol in ‘Memoires van een Havenarbeider;’ “dat was een schittering van licht en goud, een gedraai en gewemel van kleuren en spiegels, dat was een stad van vermaak met een niet te tellen aantal attracties en bronnen van pret en ontspanning.” 

 

 

Jaarmarkt

Kermis bestaat al minstens duizend jaar in onze streken. Het feest is terug te voeren tot twee belangrijke facetten die sterk in opkomst waren rond het jaar duizend, en wel de handel in de vorm van jaarmarkten, en de vroomheid of heiligheid in de vorm van de feestelijke missen ter viering of herdenking van de stichting van een kerk. Juist in die elfde eeuw werden er veel kerken bijgebouwd.

Jaarmarkten bestonden al vanaf de Oudheid, maar na het jaar duizend met de opkomst van steden en de groei van handelsstromen, kwamen er in onze gewesten steeds meer. Het waren de machthebbers zoals kerkelijke gezagsdragers, koningen, maar ook hertogen en graven, die financieel aantrekkelijke vergunningen afgaven voor het organiseren van deze markten. Allereerst aan kloosters en kerken en na de elfde eeuw en vooral sinds de twaalfde eeuw aan steden. Jaarmarkten werden gekoppeld aan kerkelijke feestdagen: heiligendagen op de katholieke feestkalender waarop het volk geacht werd naar de mis te gaan en niet te werken. Godsdienst en handel schoven elkaar op die manier klanten en toeschouwers toe. Kerkklokken luidden vaak het begin van de jaarmarkt in en bovendien organiseerde de kerk gedurende die periode processies en plechtige ommegangen.

Niet alleen boeren uit de wijde omgeving van de stad, maar ook kooplieden van heinde en verre kwamen op de jaarmarkten af om hun spullen te verkopen. Het ging op de jaarmarkt vooral om koopwaar dat uitsteeg boven het niveau van de dagelijkse levensbehoeften. De veelheid en variatie aan goederen trok veel publiek en waar zo veel volk op de been was, werd het voor muzikanten, toneelspelers, goochelaars, acrobaten en dierentemmers lucratief om hun kunsten te vertonen. Ook waarzeggers en kwakzalvers hoopten een graantje mee te pikken.  Jaarmarkten werden op deze wijze feestelijke evenementen waarbij handel werd gedreven maar waarbij het volk ook afkwam op de vrolijkheid, de voorstellingen, de potsenmakers en bovendien de gelegenheid aangreep om te drinken en te dansen in de herbergen en kroegen.

 

 

 

Middeleeuwse jaarmarkt te Utrecht. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Duivels feest                                                                                                                                                   

Voorgangers van de Reformatie verafschuwden het enorme aantal kerkelijke feestdagen en de luiheid, brasserij en armoede die ze veroorzaakten. Luther schreef: “Gave God dat in de Christenheid geen feestdagen ware,…dan werden vele boze ondeugden nagelaten, door den arbeid der werkdagen werden ook de landen niet zo arm en verkeerd. Maar nu zijn wij met vele feestdagen geplaagd, tot verderf van de zielen, lichamen en goederen….”   Met de komst van de Reformatie kwam er dan ook een einde aan het grootste deel van die feestdagen. Wat er over bleef, Kerstmis, Pasen, Hemelvaart en Pinksteren, diende in de kerk en in huiselijke kring, bescheiden en zonder uitbundigheid, gevierd te worden. Ook de zondag, die van oorsprong gold als dag van vermaak, werd gedisciplineerd. Men diende op die dag God te eren en te leven naar Gods gebod. De jaarmarkt annex kermis bleef als gevolg van deze ontwikkelingen als enige bolwerk van de oude feestcultuur overeind. Hoewel de Reformatie ook dit paapse en duivelse feest trachtte te bestrijden, was dat niet  succesvol. Het volk was er te sterk aan gehecht, zodat verboden werden genegeerd of omzeild. De kans om eens in het jaar te ontsnappen aan het harde en eentonige bestaan en zich over te geven aan een roes van plezier en vermaak, liet de bevolking zich niet zomaar afnemen. Het aantal kermissen groeide zelfs.

 

Amusementsmarkt                                                                                                                                                   

Speelde het religieuze aspect al geen rol meer, in de loop van de negentiende eeuw verdween ook de handel geleidelijk van de kermis.  Die was er nog wel aan het einde van de achttiende en vroeg in de negentiende eeuw, hoewel de markt zich beperkte tot afgewerkte, luxe en buitenlandse artikelen. Op de Grote Markt in Rotterdam waren tijdens de kermis goud- en zilverkramen, galanterieën en handschoenenverkopers te vinden terwijl op de Nieuwe Markt koper-, tin-, schoenen en muilen-, keurs- en rijglijven- en poppenkramen stonden. Hoedenkramen vond je op de Kaasmarkt terwijl voor de Beurs schilderij- en prentenkramen waren opgesteld. Ook kon je er kramen met glaswerk, porselein, aardewerk, ijzerwerk, messen, scharen, zijde stoffen en allerlei verlakte meubels aantreffen. Die handel verdween grotendeels in de eerste helft van de negentiende eeuw, terwijl het aantal spellen en vermakelijkheden steeds meer terrein won. Voornamelijk de speelgoedkramen hielden stand, terwijl het aantal kramen dat drank en lekkernijen verkocht juist sterk steeg. Om kort te gaan: in de tweede helft van de negentiende eeuw was de kermis definitief veranderd van een verbruiksgoederenmarkt in een amusementsmarkt.  

De jaermarkt, 1833-1900, volksprent. Voorstelling van artiesten en verkopers op de jaarmarkt. Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Dorpskermis. Vervaardigers: Willem Isaacs van Swanenburg naar David Vinckboons (1595-1612). Collectie Rijksmuseum Amsterdam.

Kerkmis                                                                                                                                                                       

De andere poot waar de kermis op rust is de zogenaamde “kerkmis.” Vanaf de elfde eeuw was er zoals gezegd een groeiende bedrijvigheid op het gebied van kerkenbouw in de Lage Landen. De inwijding van zo’n nieuwe kerk was een plechtig en feestelijk gebeuren, waar veel volk op af kwam. Die mensen kwamen ook om de patroon te vereren onder wiens bescherming de kerk zich had geplaatst. Vol ontzag volgden zij de processie waarin zijn relikwieën, of zijn beeltenis werd rondgedragen. Voortaan vierde men jaarlijks op de feestdag van deze patroon de inwijding van de kerk met een bijzondere dienst: de kerkmis. In Rotterdam was dat op 10 augustus, ter herdenking van de inwijding van het altaar van de Sint-Laurenskerk.

Ook nu gold weer dat waar een menigte was, handel en amusement vanzelf volgden.  De feestvieringen werden gaandeweg breder, uitgebreider en verplaatsten zich van de kerk naar buiten. Het theater bijvoorbeeld, oorspronkelijk bedoeld als aanschouwelijke ondersteuning van de prediking, vond een plek op het marktplein, samen met muzikanten en andere kunstenmakers, biertappers, wijnschenkers en kooplieden met hun kramen overladen met begeerlijke waren. “…de kerkmis vloeit uit tot één wonderlijke explosie van handel, heiligheid en feestvreugde, een explosie die zich als hevig begeerde ‘kermis’ in de harten der mensen vastzet,” aldus G.H. Jansen in ‘Een Roes van Vrijheid.’  In de loop der tijd verzwakte de band tussen het feest en de kerk, samen met de letter k die nog aan die band herinnerde. De kerkmis trok zich veilig terug binnen de kerkmuren. De kermis vervolgde, zelfstandig en luidruchtig, zijn eigen weg.    

Omdat kermis en jaarmarkt ongeveer hetzelfde behelsden: handel, vermaak en (afnemende) vroomheid, ging men de begrippen door elkaar gebruiken en neigden de beide evenementen ertoe elkaar te overlappen en samen te vallen.  De Reformatie, die vanaf de 16de eeuw de aanval inzette op de katholieke feestkalender, versnelde dit proces. In Rotterdam werd de Sint-Laurenskermis van midden augustus een paar weken verschoven, zodat hij vanaf de vroege 17de eeuw samenviel met de september-jaarmarkt. De Rotterdamse jaarmarkt of kermis werd vanaf 1809 weer verplaatst naar de week beginnend met de tweede zondag van augustus.

Eerder gepubliceerd in "Ons Rotterdam."

Kermis te Rotterdam 1850. Collectie Stadsarchief Rotterdam.

Information icon

We hebben je toestemming nodig om de vertalingen te laden

Om de inhoud van de website te vertalen gebruiken we een externe dienstverlener, die mogelijk gegevens over je activiteiten verzamelt. Lees het privacybeleid van de dienst en accepteer dit, om de vertalingen te bekijken.